Op de prullenbakscholen van Brussel ontkiemt de haat

Gettoscholen in arm Brussel willen radicaliseren moslimjeugd tegengaan.

In de hal van het Institut de la Providence, een katholieke school dicht bij de Anderlechtsepoort, drukken een paar pubers snel hun sigaret uit als een leerkracht aan komt lopen. Na wat bestraffende woorden lachen de jongens stoer, maken een grap – in het Arabisch – maar nemen dan beleefd afscheid. „A demain, monsieur!

„Dat zullen we nog wel zien”, glimlacht meester Yohann Fleury als het groepje de hoek om gaat. „Er wordt hier flink gespijbeld. Toch blijven ze terugkomen. Ze hebben nul zelfvertrouwen, en dan biedt de school op z’n minst geborgenheid.”

Het is een grijze namiddag in de Lemmenswijk. Het is een quartier chaud (‘hete wijk’) in de ‘arme banaan’ zoals de Brusselaars de gordel van armoede om hun stad noemen. Eén op de vier kinderen groeit op in een gezin zonder werk. ‘Generatiearmoede’: stijgende werkloosheid onder jongeren die hun ouders nooit hebben zien werken.

De problemen zijn het grootst in de Lemmens, de wijk achter station Brussel-Noord en in het hart van Sint-Jans-Molenbeek, waar de politie nog altijd zoekt naar mogelijke handlangers van de Verviers-Brussel-terreurcel. De vorige week door de politie gedode jongens die in Verviers aanslagen voorbereidden kwamen allebei uit Molenbeek, bijgenaamd ‘Klein-Marokko’ in Brussel.

Waarom radicaliseren zoveel van onze moslimjongeren? En: hoe kunnen ouders en leerkrachten dit voorkomen? Die pijnlijke vragen worden in België, waar ruim 350 jongeren als jihadstrijders vertrokken naar Syrië, al langer gesteld. Maar ‘Verviers’ is de alarmbel: Belgen willen dat de politiek nu met antwoorden komt.

‘Toedekken en pamperen’

Uit angst voor aanslagen patrouilleren zwaar bewapende soldaten in de grote steden en in allerijl lanceerde de Vlaamse onderwijsminister een ‘aanspreekpunt deradicalisering’ op scholen. „Ik dacht altijd: zoals de Fransen de kansarmen wegstoppen in de banlieue, dat gaan wij in België niet doen,” zegt leerkracht Fleury. „Maar het is hier sluipenderwijs ook fout gelopen. Nu zitten we met gettoïsering van scholen en het gevaar van radicalisering.”

Weinig schooldirecteuren in de arme banaan praten zo openlijk. De heersende cultuur in het onderwijs is er eerder een van „toedekken en pamperen”, luidt een veelgehoorde klacht. Onderwijzers die gemotiveerd begonnen zijn een paar jaar later ten einde raad omdat ouders met een migrantenachtergrond hun kinderen op school „dumpen”. Een leerkracht, die niet met zijn naam in de krant wil: „Op oudergesprekken komen ze niet opdagen, de helft spreekt nauwelijks Frans of Nederlands. Die ouders verwachten dat wíj hun kinderen wel opvoeden, maar dat redden we niet.”

Op Brusselse gettoscholen ontkiemt de haat, vreest Pierre Pirard, oud-leerkracht op een school in Molenbeek. Het profiel van de jihadi’s uit Verviers is „volledig herkenbaar” zegt hij. „Op school uitgerangeerd. Daarna de woede en frustratie.”

Het is nu nog maar een klein percentage van de leerlingen dat zorgen baart, zegt Pirard, „maar die groep wordt groter als we niet heel snel ingrijpen”. In 2009 gaf hij een succesvolle loopbaan in het bedrijfsleven op en ging voor de klas staan. Over zijn ervaringen schreef hij het boek Jullie zijn geen rotleerlingen.

De hoge schooluitval onder moslimjongeren is volgens hem grotendeels te wijten aan de groeiende kloof tussen „de écoles poubelles [‘vuilnisbakscholen’] en de rijke blanke scholen elders in de stad.”

Jonge leerkrachten missen de bagage om goed te functioneren op gettoscholen. Hoog tijd voor een „onderwijsrevolutie”, roept Pirard al jaren. „Betere lerarenopleidingen, meer gemengde klassen en meer aandacht voor het versterken van het zelfvertrouwen van leerlingen.”

Omdat politieke initiatieven uitbleven zette Pirard in 2013 Teach for Belgium op, de Belgische tak van een internationaal netwerk dat jong talent rekruteert en beginnende leerkrachten bijschoolt. Op zoek naar rekruten aan Belgische universiteiten moet Pirard studenten overtuigen. „Aan sociaal engagement geen gebrek. ‘Ik wil na mijn studie gaan helpen bij het bouwen van schooltjes in arme landen’, hoor ik vaak. Ik zeg dan: ‘Zoek het niet zo ver, ga naar Molenbeek of Verviers, daar hebben ze je hard nodig’.”

Belgisch bad

In de schemer, aan de poort van het Institut de la Providence, gooit leraar Yohann Fleury de deur in het slot. „Morgen weer een dag,” lacht hij. „Je moet optimist blijven.”

Voor pas aangekomen migranten op zijn school organiseert Fleury een, zoals hij het noemt, ‘Belgisch bad’. „Een tocht langs musea en typisch Belgische fenomenen zoals de striptekeningen op de muren in de stad. Meisjes uit het West-Afrikaanse Guinee stonden een half jaar na hun komst al te joelen voor onze Rode Duivels-voetbalhelden.”

Tegelijk ziet hij veel leerlingen die niets moeten weten van dat bad. „Jongens met een Marokkaanse achtergrond, nota bene hier geboren, die na 15 jaar ‘fuck you België’ zeggen.” Spijbelen, blijven zitten, geen enkel vooruitzicht. „Hun parcours van mislukkingen is al begonnen op de lagere school”, zegt Fleury. „Ze hebben niets om trots op te zijn. En wij hebben de ernst daarvan te laat ingezien”.