Leerlingen in de gaten houden, zonder heksenjacht te openen

Leraren en schooldirecties worstelen met hun rol bij het tijdig herkennen van radicalisering. „Pubers vertonen vaak van zichzelf al radicaal gedrag. Waar ligt de grens?”

Scholen praten niet graag over mogelijk radicaliserende jongeren. Toen onderzoeker Maartje Reitsma van Onderwijsadviesbureau KPC Groep onlangs een oproep rondstuurde met de vraag of scholen wilden vertellen over hun ervaringen met leerlingen die misschien aan het radicaliseren zijn, kreeg ze geen enkele reactie.

Hoe komt dat? Er zijn scholen die geen idee hebben waar ze op moeten letten, weet ze. Sommige scholen denken: het leeft niet onder mijn leerlingen. Andere zien het wel, maar weten niet wat ze er mee aan moeten. Dat moet veranderen, als het aan minister Bussemaker (Onderwijs, PvdA) ligt.

Maar scholen zijn ook bang voor hun reputatie, vertelt radicaliseringsdeskundige Halim El Madkouri. „Ze denken dat, als ze aan de bel trekken bij de gemeente, het morgen in de krant staat. En dat ouders hun kinderen van school halen.” En dus houden ze zich stil.

Fout, zeggen de experts. Zeker in deze tijd, „waarin we te maken hebben met jongeren die afreizen naar oorlogsgebieden”, zegt Reitsma. „En bij terugkomst bereid zijn alles opzij te zetten voor hun radicale denkbeelden.” Ze schreef in 2010 samen met crisisadviseur Ine Spee de handreiking ‘Puberaal, lastig of radicaliserend?’ voor middelbare scholen. Nu zijn ze bezig met een nieuwe versie. „Omdat er inmiddels veel is veranderd; de kans op een terroristische aanslag in Nederland is reëel.”

Vroeger leefden geradicaliseerde jongeren meer geïsoleerd. Nu is er een echte oorlog waar ze zich bij kunnen aansluiten. Teruggekeerde jihadisten zijn professionele strijders die deel zijn van een organisatie met een missie. Reitsma: „De geradicaliseerde tieners zijn veel harder geworden. En eerder bereid geweld te gebruiken.”

Het is lastig te zien of een tiener radicaliseert, schrijven Reitsma en Spee in hun handreiking. „Pubers vertonen van zichzelf al vaak radicaal gedrag. En waar ligt dan de grens? Wanneer is iets normaal pubergedrag en wanneer moet je je zorgen maken?”

Omar Ramadan probeert scholen te helpen bij die vraag. Hij is directeur van Radar Advies, dat sinds 2008 zo’n 2.000 leraren trainingen heeft gegeven over hoe om te gaan met radicaliserende jongeren. „Het is belangrijk dat docenten hun niet-pluisgevoel serieus nemen.” Maar ze moeten ook uitkijken dat ze leerlingen niet vals beschuldigen. „En een heksenjacht openen.”

Hoe kom je erachter wat normaal gedrag is en wat niet? „Door naar de kinderen te luisteren.” En de complete situatie van de leerling in kaart te brengen, zegt Reitsma. „Welke vrienden zijn er, gaat het thuis goed? ” Ramadam vertelt: een jongen die een werkstuk maakt over zijn idool Bin Laden, is niet meteen een jihadist. „Hij wil wellicht choqueren, stoer doen en zich afzetten.” Zoals tieners dat doen. „Het wordt een ander verhaal als hij religie misbruikt om extremisme te legitimeren. En zich steeds meer afzondert.”

Er is een aantal gevallen waarbij alle alarmbellen moeten gaan rinkelen. Ramadan: een tiener die geweld goedkeurt, anderen probeert te bekeren en onthoofdingsvideo’s kijkt. Radicaliseringsdeskundige El Madkouri: een scholier die een bijna obsessieve aandacht voor geloofszaken koppelt aan een excessieve belangstelling voor onrecht, de derde wereld en wat Palestijnen en moslims wordt aangedaan. „Dat is altijd zorgwekkend.”

Maar omdat de signalen zelden zó duidelijk zijn, wordt El Madkouri geregeld gebeld om mogelijke signalen van radicalisering te duiden. Onlangs werd hij benaderd omdat een islamitische leerling zichzelf tot bloedens toe had geslagen. Was hij aan het radicaliseren? „Het bleek een shi’itische leerling te zijn die volgens eeuwenoude traditie aan een vorm van zelfkastijding had gedaan, zonder kwaad in de zin.”

Het omgekeerde heeft El Madkouri ook meegemaakt. Een jong meisje dat altijd al een hoofddoek droeg, kwam ineens op school in een lang gewaad. „Ze praatte veel over goed en kwaad, waarbij het laatste eigenlijk alles en iedereen was.” Op de social media zette ze geen eigen foto, maar symbolen en teksten, vertelt El Madkouri. „Ze is het land een paar maanden geleden ontglipt en naar Syrië vertrokken. De school blijft achter met een trauma, daar geeft men zichzelf nu de schuld.”

Als je vermoedt dat het mis is met een leerling, wat doe je dan? Praten, zeggen alle experts. Wat je precies moet zeggen, daar is geen blauwdruk voor, vertelt Reitsma. „Elk kind is anders, elke case is anders.” Maar er zijn wel vaardigheden „om op een open en rustige manier het gesprek aan te gaan. En duidelijk te maken dat iedereen een mening heeft, dat je voor andere ideeën kunt openstaan en respect voor elkaar moet hebben.” Dat klinkt simpel. „Maar dat is niet voor iedereen zo vanzelfsprekend”, beaamt Reitsma.

En bovendien sta je voor het dilemma: wanneer ga je het gedrag van een leerling aankaarten bij de gemeente of bij de politie? Met alle consequenties van dien, zegt El Madkouri. „Leerkrachten willen niet dat een kind voor niets wordt verhoord en bekend is bij gemeente en politie. Dit kan leiden tot een vertrouwensbreuk. En dat kan juist weer een averechts effect hebben.”

Mohammed Mohandis, Tweede Kamerlid voor de PvdA, zou daarom graag eenheid zien in de benadering van mogelijke radicaliserende jongeren en het met hen bespreken van het onderwerp. Hij heeft met partijgenoot Ahmed Marcouch vragen hierover gesteld aan minister Bussemaker. „Leraren weten niet hoe ze moeten handelen, kennelijk is voor dit onderwerp geen aandacht op de opleidingen”, zegt Mohandis. „Maar genoeg mensen hebben hier ideeën over, dus laten we samen nadenken over een rode draad. Dit onderwerp is te belangrijk voor een wisselende aanpak.”