Isaac Newton was de laatste der magiërs

Nu pas is de schriftelijke nalatenschap van de achttiende-eeuwse natuurkundige geanalyseerd en hebben we een compleet beeld van hem. Zo blijkt hij behalve een ketter ook een alchemist te zijn geweest.

Isaac Newton verruilde na zijn krankzinnigheid de ratio voor een theologische obsessie
Isaac Newton verruilde na zijn krankzinnigheid de ratio voor een theologische obsessie Foto Wallpaper/Anglotopia.net

Toen op 20 maart 1727 Isaac Newton op 85-jarige leeftijd stierf, liet hij een enorm aantal manuscripten na, zo’n tien miljoen woorden. Het grootste deel van die aantekeningen ging helemaal niet over de onderwerpen waaraan hij zijn beroemdheid ontleende, zoals de zwaartekracht, de optica en de differentiaalrekening. Newton was niet alleen een natuurwetenschapper geweest, maar ook een bijbelgeleerde die er ketterse opvattingen op nahield; een alchemist, die geobsedeerd werkte aan transmutatie van elementen, en bovendien iemand die meer dan een jaar lang een diepe depressie had doorgemaakt. Geen wonder dus dat zijn nazaten het meeste materiaal niet geschikt achtten om openbaar te maken: het zou het beeld van Newton als het grootste wetenschappelijke genie dat tot dan toe geleefd had geen goed doen en evenmin een gunstig licht werpen op de wetenschap zelf.

In The Newton Papers vertelt Sarah Dry het verhaal van dit lang verborgen gebleven archief. Zij beschrijft wie de nalatenschap van Newton beheerden, wie haar aan het licht brachten en tenslotte wat voor genuanceerd beeld van Newton dat opleverde. De echte hoofdpersonen in dit boek zijn echter niet de manuscripten, maar is een kleurrijke stoet van verzamelaars, geleerden en onderzoekers die in de afgelopen eeuwen op zoek gingen naar de ware Newton. Velen van hen leidden zelf buitengewone levens, van een wereldberoemd econoom tot de medeontdekker van de planeet Neptunus, en van iemand die de crash van 1929 voorspelde (en vervolgens zijn fortuin verkwanselde aan onderzoek naar anti-zwaartekracht) tot een joodse bijbelgeleerde en vriend van Albert Einstein die een belangrijke rol speelde bij de stichting van de staat Israël.

Ketterse opvatting

Dat Newton er afwijkende meningen op na hield inzake het geloof was aan de goede verstaander al lang bekend. Aan de tweede druk van zijn meesterwerk, de Principia Mathematica, had hij in 1713 een appendix toegevoegd, waarin hij uiteenzette wat voor soort God het universum dat hij had beschreven, nodig had: zo’n God moest almachtig en alomtegenwoordig zijn. Dat dat geen ruimte liet voor wat dan ook, inclusief de Heilige Drie-eenheid, liet hij wijselijk in het midden, want dat was een in die dagen ronduit ketterse opvatting. Wel ging hij om met mensen die openlijk uitkwamen voor dergelijke afwijkende opvattingen, onder wie de filosoof John Locke, en schreef hij erover in zijn eigen aantekenboeken.

Het is waarschijnlijk dat hij daarom bewust geen instructies heeft nagelaten over wat zijn nazaten met die teksten moesten doen. Ze waren voor hem te belangrijk om te vernietigen, maar tegelijk te gevaarlijk om ze te publiceren. De onzekerheid die hij zo zelf creëerde is er de belangrijkste oorzaak van dat het zo lang geduurd heeft voor ze weer in de openbaarheid kwamen. Het had wel tot gevolg dat hij in de achttiende eeuw (onder meer door de inspanningen van Voltaire) mythische proporties kreeg.

Toch kwam hij er niet helemaal ongeschonden vanaf. In een encyclopedie-artikel suggereerde de Franse natuurkundige Jean-Baptiste Biot als eerste dat Newton rond zijn vijftigste een psychische inzinking zou hebben gehad. Dat maakte hij op uit een brief van onze eigen Christiaan Huygens die had opgetekend dat de grote man thuis werd verpleegd nadat hij in aanwezigheid van het hoofd van de universiteit van Cambridge ‘…krankzinnig was geworden, hetzij door al te veel studie, hetzij door rouw over het verlies van zijn chemisch laboratorium dat samen met een groot aantal papieren in vlammen was opgegaan.’

Voor Biot was het duidelijk: Newton mocht weliswaar zó ver zijn opgekrabbeld dat hij zijn eigen geschriften weer begreep, maar de periode van krankzinnigheid markeerde een ommekeer in diens leven: ervóór de ratio, erná de theologische obsessie. Het werd allemaal nog erger toen uit brieven van de Astronomer Royal John Flamsteed duidelijk werd hoe slecht Newton hem en zijn werk had behandeld, bijvoorbeeld door er ondanks daarover gemaakte afspraken vroegtijdig uit te publiceren. Dit soort openbaringen zorgde ervoor dat voor- en tegenstanders in de pen klommen en er zich een levendige discussie ontspon, helaas zonder dat iemand ook maar iets kon verifiëren in de nagelaten papieren van Newton zelf.

Aanvankelijk deed niemand daar veel moeite voor, maar na 1830 kwam er langzaam meer belangstelling voor de geschiedenis van de natuurwetenschap, het leven van haar belangrijkste beoefenaars en daarmee ook voor hun geschriften. Dat gold meer in het algemeen voor historische archiefstukken. Zo richtte de Engelse regering een Public Records Office op en een Royal Commission on Historical Manuscripts. Dat had effect: Newtons nazaten stonden tenminste de wetenschappelijke geschriften af aan de universiteit van Cambridge, omdat het niet langer verantwoord werd geacht ‘…dat de historische rijkdommen van de natie bewaard worden in de landhuizen van de adel.’ Uiteindelijk zou een comité van vier geleerden alle papieren bestuderen. Zo werd duidelijk dat de man die de grondslag had gelegd voor de moderne wetenschap, ook maar een gewoon mens was geweest: iemand die critici de mond snoerde, geen peer review tolereerde en de overwegingen die hem tot ontdekkingen hadden gebracht aanpaste of verborg als hem dat zo uitkwam, bijvoorbeeld in de discussie met Leibniz over de ontdekking van de differentiaalrekening.

Scheiding

De alchemistische (volgens het comité ‘nauwelijks de moeite waard’) en religieuze geschriften gingen echter terug naar de familie om pas in 1936 definitief in de openbaarheid te komen toen ze werden geveild: de negende Earl van Portsmouth had dringend geld nodig om successierechten en een scheiding betalen. Twee mannen verdeelden in de maanden die daarop volgden het erfgoed van Newton: de econoom John Maynard Keynes kocht alle alchemistische geschriften (om ze uiteindelijk te schenken aan de universiteit van Cambridge), en bijbelgeleerde Abraham Yahuda de religieuze geschriften, die uiteindelijk een plaats zouden vinden in de Nationale Bibliotheek van Israël. De veiling leverde 9000 pond op, tegenwoordig ruim meer dan 300.000 pond, maar even goed een schijntje vergeleken met de meer dan 6 miljoen voor een aantal aantekenboeken dat in 2000 uit een vergeten kast opdook.

Het zou echter tot ver in de twintigste eeuw duren voor (wetenschaps)historici uit al die documenten het beeld dat we tegenwoordig van Newton hebben compleet maakten. Niet dat van de eerste rationalist, ‘die ons leerde om te denken langs de lijnen van koele rede’, maar eerder van de laatste der magiërs, ‘die over de zichtbare en intellectuele wereld uitkeek met dezelfde ogen als degenen die zo’n tienduizend jaar geleden de grondslag legden voor onze intellectuele erfenis.’