In Aberdeen hoor je de nervositeit

De oliesector kreunt onder de lage olieprijs. Het Schotse Aberdeen vreest de gevolgen. „De bedrijven bellen je gewoon niet. En vrij betekent: geen geld.”

Prijs van Noordzee-olie is terug op het niveau van tien jaar geleden
Prijs van Noordzee-olie is terug op het niveau van tien jaar geleden

Ze maken zich geen zorgen. „Wat naar beneden gaat, moet ook weer omhoog”, zeggen ze in Aberdeen nuchter over de lage olieprijs. Ze hebben dergelijke stuiptrekkingen al vaker gezien.

Maar praat wat langer met de mannen die net van de boorplatforms afkomen, met politici, met de taxichauffeurs, de restaurant-eigenaren, de winkeliers in de Schotse oliestad, en de nervositeit is hoorbaar. Driehonderd man vlogen er deze week uit bij oliemaatschappij Talisman Sinopec, vorige week bij BP, vorige maand bij ConocoPhillips. Dienstverlener Wood Group kortte de salarissen van offshorepersoneel met 10 procent, en bevroor die van de overige werknemers. Het aantal nieuwe olievelden dat in bedrijf werd gesteld, is sinds juli gehalveerd.

In een regio waar direct en indirect 137.300 banen van de olie- en gassector afhangen – het merendeel van de werkgelegenheid – en waar slechts 1,2 procent van de beroepsbevolking werkloos is, heeft dat impact. Niet onmiddellijk: Aberdeen (215.000 inwoners) is een rijke stad, 32 procent van de huishoudens verdient meer dan het landelijk gemiddelde van 27.000 pond per jaar. De ontslagen zijn nog vooral intern, de productieketen voelt de nood nog niet.

Sommigen kunnen zich het midden van de jaren tachtig nog herinneren, toen de prijs per vat onder de 10 dollar kwam. „Te koop-borden schoten uit de grond alsof het onkruid was, bedrijven bezuinigden en de werkloosheid steeg”, herinnerde commentator Peter Jones zich deze week in The Scotsman. In 1986 en 1987 steeg de werkloosheid in de stad 42 procent.

Sir Ian Wood, die twee jaar geleden voor de Britse regering onderzoek deed naar de toekomst van de olie-industrie, voorspelt dat de komende twaalf maanden „10 procent van de banen geschrapt kunnen worden alleen al door de grove maatregelen [die bedrijven nemen] om hun verliezen te beperken door in de kosten te snijden”. Hij deed zijn voorspelling toen de prijs van een vat Noordzee-olie (Brent) 65 dollar was. Nu ligt deze ruim onder de 50 dollar.

Dat raakt met name de oliesector in de Noordzee. Omdat de olie daar steeds moeilijker is te exploreren, en dus duurder is om te winnen, is volgens analisten een prijs van rond de 80 dollar nodig om productie rendabel te houden.

Zo lang je de helikopters maar hoort

In Dyce, een aan Aberdeen vastgegroeid dorpje, is het geluid van af- en aanvliegende helikopters oorverdovend. Zolang je die hoort, gaat het goed met de olie-industrie, zeggen de bewoners. Hier landden de topmannen, hier vertrekken de werknemers naar de boorplatforms. Op het wandelpaadje tussen de helihaven en het stationnetje zijn ze een vertrouwd gezicht met hun grote weekendtassen van waterafstotend oliegoed.

„Zodra ze vertellen dat er een ‘consultatiegesprek’ komt, dan is het gebeurd”, bromt de 56-jarige Mike, die in de controlekamer van een boorplatform werkt. Net als de meeste mannen wil hij zijn achternaam niet geven – de angst voor een verkeerd woord en ontslag, is groot.

„Ze noemen het alleen geen ontslag”, legt collega John (57, inspecteur) uit. Ze zijn aannemers, zzp’ers, zoals velen in deze sector. Dat is een voordeel in jaren van voorspoed, maar het biedt geen baanbescherming: „Ze bellen je gewoon niet. We krijgen het dagtarief. En vrij betekent: geen geld.”

Medelijden hoef je niet met Mike en John niet te hebben. Ze draaien diensten van twaalf uur, twee weken op en twee weken af, voor salarissen die ruim boven het gemiddelde liggen, al zeggen ze beiden dat dat vooral „toen ze jong waren” de reden was om voor dit werk te kiezen.

Een offshorewerknemer verdiende in 2013 gemiddeld 73.000 pond (95.000 euro) per jaar, berekende wervingsbureau Oil and Gas People. Zowel Mike als John heeft eerder malaise meegemaakt. „Je moet in de zomer je hooi binnen halen”, oreert Mike.

„Als ik word ontslagen heb ik in elk geval een paar goede jaren gehad”, zegt ook Kevin Dailey, een 34-jarige elektricien. Hij en collega Dean Long maken zich meer zorgen over veranderingen in roosters die hier en daar worden doorgevoerd. In plaats van twee weken op, twee af, wordt drie weken op, drie af gevraagd.

Long: „Als mij dat wordt aangeboden, zou ik dat het liefst afslaan. Maar alleen als er ander werk is”, zegt Dailey.

De enige die geen problemen voorziet is Gordon (50). Hij is kok op een boorplatform. „Zolang er lichamen aan boord zijn, is er eten nodig”, zegt hij pragmatisch. Hij werkt nu 23 jaar voor „waarschijnlijk het dubbele, misschien wel het drievoudige van wat ik aan land zou verdienen”, zo’n 50.000 pond per jaar.

Rikky Pirie, chef van Sea Salt Shore, de fish ’n chips-winkel naast het station, beaamt dat. Ook hij werkte eerst offshore, later als chef in het hoofdkantoor van een van de oliemaatschappijen. Nu runt hij zijn eigen afhaalrestaurant. „Toen ik zes maanden geleden een businessplan moest maken, zag ik dat het aantal passagiers op dit station in de afgelopen tien jaar van 250.000 naar 1 miljoen is gestegen. En die komen allemaal hier langs.”

Het is nog te vroeg om van minder klandizie te spreken. Maar ook hij merkt dat de lage prijs voor nervositeit zorgt. Zijn echtgenote werkt voor Halliburton, dienstverlener in de energiesector. „De jaarlijkse salarisverhoging in april is al geschrapt.”

Politici roepen om het hardst om actie om instorting van de olie-industrie te voorkomen. De sector is verantwoordelijk voor 16,4 procent van de Britse vennootschapsinkomsten, meer dan enige andere sector. De totale belastingbijdrage wordt geschat op 30,1 miljard pond.

Deze week waren zowel de schaduwminister van Financiën, Ed Balls, als de nieuwe Schotse Labourleider, Jim Murphy, in Aberdeen, gisteren premier David Cameron. De Schotse regering heeft een ‘olietop’ belegd voor begin februari. Minister van Financiën George Osborne zegt dat hij in maart voorstellen zal doen om de sector te helpen.

Schotland heeft geen oliefonds

Ze wijzen naar elkaar: de Schotse nationalisten en Labour klagen over de belastingverhoging op olie- en energieproductie van 20 naar 32 procent. Dat levert 10 miljard pond extra op, maar belemmert volgens hen de exploratie. „Het is essentieel dat de Britse regering sneller met een antwoord komt”, zei de Schotse minister van Energie, Fergus Ewing, deze week.

Londen smaalde dat het maar goed is dat Schotland in september niet voor onafhankelijk koos. De nationalisten baseerden een deel van hun economische plannen op een olieprijs van 110 dollar per vat.

„Laten we het niet hebben over ‘wat als’ Schotland onafhankelijk zou zijn, en wie wat heeft nagelaten”, zegt Mark McDonald, Schots parlementslid voor Aberdeen North namens de SNP.

Hij ontvangt in de Church Hall van Dyce, waar de dorpsbewoners wekelijks bijeenkomen met zelfgebakken lekkernijen. „Het gaat er nu om hoe we deze industrie kunnen beschermen. We hebben het nog niet over de omvang van de sluiting van de mijnen, maar dat we een moeilijke periode tegemoet gaan, is duidelijk. Schotland heeft geen oliefonds zoals Noorwegen om schommelingen op te vangen.”

Belastingmaatregelen om exploratie te bevorderen, zijn noodzakelijk, zegt McDonald. Ook moet er nagedacht worden over de vraag hoe de kennis behouden kan blijven als er inderdaad meer ontslagen vallen. Nog altijd zijn de gevolgen van de massaontslagen van eind jaren tachtig voelbaar: er zijn onvoldoende oliewerknemers met twintig jaar ervaring.

Een bron van troost is dat Aberdeen in tegenstelling tot destijds meer internationaal is georiënteerd, zegt gemeenteraadslid Barney Crockett. „Als er olie in moeilijke gebieden gevonden moet worden, vind je de kennis, het materieel en het personeel hier. Werknemers uit Aberdeen zitten in Equatoriaal Guinee, in Rusland. Bedrijven uit Dakar, China, Noorwegen zitten hier, omdat hier de expertise is.”

De Labour-politicus, die zijn carrière begon op een boorplatform, kan zich nog herinneren hoe „een buurman de gang in kwam rennen en schreeuwde dat er olie was gevonden”. Om de ontslagen van nu te relativeren zegt hij: „Zelfs een krimpende oliesector is een gigantische sector.”

Hij hoopt dat de lage olieprijs dit besef doet doordringen in Londen en Edinburgh. „Deze sector is altijd alleen gezien als melkkoe. Er was weinig discussie en kennis over de sector zelf. Nu de belastinginkomsten dalen, ziet men hopelijk in dat er een industrie is die hulp nodig heeft.”