Ik weet niet hoe leven in deze ruimten leeft

Wanneer een gedicht de titel ‘Inventaris van mijn failliet als dichter’ draagt, is er reden tot zorg. Zeker wanneer die komt van iemand die haar eerdere bundels titels gaf als Om te kan asemhaal of Lijfkreet, om zo de noodzaak van het dichten lichamelijk te maken. In ‘Inventaris’ draagt de Zuid-Afrikaanse dichter Antjie Krog elf mogelijke onderwerpen voor gedichten aan met daaronder een zin die in het gedicht zou moeten voorkomen. Dus dan krijg je een voorstel als: ‘9. ruimte hoe bemind gehoopt verheugd verinnigd bekommerd om / (generaties gewanhoopt)’ of ‘11. Ruimten hoe mijn verbeelding hier in te storten / (ik weet niet hoe leven in deze ruimten leeft)’. Geen van deze gedichten wordt afgemaakt, desalniettemin is de optelsom van de pogingen een fascinerend gedicht in haar nieuwe bundel Medeweten.

Fascinerend, omdat het een van de gedichten is waarin zij geen inventaris geeft van mogelijke onderwerpen, maar vooral rekenschap lijkt af te leggen over haar dichtwerk. Uiteraard komen vertrouwde thema’s aan bod: racisme en schuldgevoel in Zuid-Afrika, maar ook vrouw en/of oma-zijn, ouder worden. Dat gebeurt op de manier waarop ze op haar best is: zintuiglijk, hatelijk en liefdevol. Er bestaan vermoedelijk weinig dichtbundels waarin een echtelijke ruzie is opgenomen waarin de een de ander uitmaakt voor ‘zelfzuchtig stuk stront’ en de ander ‘kutwijf’ terugzegt.

Toch is er iets waardoor deze bundel anders is dan haar vorige. De toon is zoekender en Krog wil vaker kijken wat ze waard is geweest. Niet voor niets staan er gedichten in die letterlijk ‘Poging’ of ‘essayuittreksels’ heten of over rouw gaan. In haar dichtwerk en proza heeft Krog het vaak over schuldgevoel en het zoeken naar een geëigende plek. In een enkel geval wordt dat wel erg particulier, bijvoorbeeld wanneer ze over de gorgonzolasaus van vrienden dicht. Maar ze gaat ook een ‘gesprek’ aan met de Israëlische schrijver David Grossman. Deze legde al vaker uit dat Israël voor hem het enige land is waar hij kan leven omdat hij daar relevant is, wat hij liever heeft dan comfortabel. Krog omarmt die gedachte. In het gedicht ‘mirakel’ schrijft ze:

Ik behoor toe aan dit landhet heeft mij gemaakt

ik heb geen ander land

dan dit land

mateloos is mijn liefde voor het land

gecompliceerd gehard en onomwonden

Hoewel in de bundel elders een korte uitstap naar Berlijn wordt gemaakt, wil ze in dit gedicht weergeven waarom ze alleen in Zuid-Afrika kan wonen (haar gedicht bij de dood van Mandela bevestigt dat beeld).

In Medeweten staan prachtige verhalende gedichten (in die epische vorm is Krog op haar best), naast ontroerende, zoals dat voor haar kleindochter (‘mijn kleindochter en ik bouwen zandkastelen’) en gedichten over rouw en dood (in ‘als ik dood ga’ legt Krog in een praktisch testament vast hoe ze begraven wil worden).

Tegelijkertijd is de wrangheid in Medeweten anders dan in eerdere bundels: geen woedende, snerende Krog, maar eerder een zorgelijke en twijfelende. Wanneer ze in het slotgedicht schrijft ‘Zo wordt de weerloosheid van alles onverdraaglijk’ gun je haar het pantser dat ze nu steeds vaker laat vallen.