IJs bij het Leidseplein

De brug voor de Leidsepoort op een grijze winterdag. Er zit sneeuw in de lucht. De stadsgracht is dichtgevroren en hier en daar is het ijs sneeuwvrij gemaakt. Op het schaatsbaantje voor de koek-en-zopie met de Nederlandse vlag zwieren de Amsterdammers hun rondjes. Elders zijn groepjes op het ijs te zien, vaak met sledes. De ijsvloer oefende ook vroeger al een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit: daar te komen waar men gewoonlijk niet kan gaan.

Van het poortgebouw is alleen een van de vier hoektorens te zien. Het is lastig voor te stellen, maar de poort zou nu midden op het Leidseplein voor het American Hotel staan, daar waar de rijbaan naar de Marnixstraat afbuigt. De stadsgracht is eind 19de eeuw gedempt en naar buiten verlegd.

De in 1663/1664 gebouwde en in 1862 gesloopte Leidsepoort was de minst belangrijke van de vijf grote stadspoorten. Hier kwamen de boeren uit Sloten en Amstelveen de stad binnen, net als een enkele buitenplaatsbezitter en de reizigers uit het midden van Holland. In de stenen brug is een houten ophaalbrug opgenomen. Ervoor staat een forse stenen voorpoort, de hamei. De bomenrij langs de Singelweg verbreedde zich voor de poort tot een bosachtige aanplant: het huidige Leidsebosje. Nu staan er nog twee 150 jaar oude platanen met een omtrek van bijna 7 meter – de dikste bomen van Amsterdam.

Johannes Jelgerhuis (1770-1836) had les gehad van zijn vader en daarna van de Amsterdamse schilder Pieter Barbiers. In 1813 maakte hij een schilderij (nu in het Rijksmuseum) van precies hetzelfde uitzicht, alleen is het dan hoogzomer. Wellicht is de ongedateerde tekening gemaakt in de zeer strenge winter van 1813/1814. Maar ook de strenge winters van 1822/1823 en 1829/1830 komen in aanmerking.

Het standpunt is ongebruikelijk: hoger dan een woonhuis, maar lager dan de omloop van een kerktoren. Jelgerhuis stond bovenin de Amsterdamse Stadsschouwburg – de voorloper van het huidige gebouw op het Leidseplein – en keek over de stadswal heen de stad uit. Zijn wijze van kijken doet denken aan de grote panoramaschilderijen, die vanaf het einde van de 18de eeuw populair werden.

Jelgerhuis was geen onbekende in de schouwburg. Als getalenteerd amateur was het hem gelukt het professionele podium te bereiken. In 1804 speelde hij in de schouwburg King Lear, het volgende jaar werd hij opnieuw gevraagd. Al snel verhuisde hij van Delft naar Amsterdam en werd hij opgenomen in de vaste acteursgroep, waarvan hij tot zijn dood deel van zou uitmaken. Hij werd de vaste vertolker van Gijsbrecht in de traditionele opvoering op Nieuwjaarsdag. Na 1820 kreeg hij minder werk. De treurspelen waarin hij uitblonk, werden vervangen door andere genres. In 1827 publiceerde hij een door hem geïllustreerd handboek voor acteurs. De Theoretische lessen over gesticulatie en mimiek bleven zeer invloedrijk tot het einde van de 19de eeuw.

Van schilderen kwam in zijn eerste jaren in de Stadsschouwburg weinig terecht, maar vanaf 1812 nam zijn productie weer gestaag toe. Toen de zomertournee van 1817 niet doorging omdat er niet voldoende acteurs beschikbaar waren noteerde hij „[dus] bleef ik gevolgelijk ook te huis, genoeg te schilderen hebbende en dus zulks gaarne doende”.