Goeiemiddag, 11671!

Mijn vriend heeft geen planten of katten waar ik voor moet zorgen nu hij een maand voor zijn werk in het buitenland zit. Hij heeft een postbus. Of ik daar af en toe even een kijkje in wil nemen. Bij ons afscheid kreeg ik een sleuteltje. Dat voelde als een begin van een spannend avontuur.

Bij een postbus dacht ik tot nu toe altijd aan de kinderprogramma’s uit mijn jeugd. Als er dan een prijsvraag was kon je je antwoord op een ‘briefkaart’ sturen naar een postbus in Hilversum. Daar was ik toen al te lui voor. Wel had ik intense fantasieën over een autobus vol enveloppen en dat Jochem van Gelder daar dan in zwom om een winnaar te kiezen.

Laatst moest ik een formulier met allerhande impertinente vragen over mijn zoon opsturen naar zijn toekomstige basisschool. Ik had helemaal geen enveloppen en postzegels meer en wat erger was: ik merkte dat ik het eng vond om deze brief in de brievenbus te gooien. Wat als hij kwijtraakte? Moest ik die acht kantjes met vragen waar mijn ex en ik twaalf keer over hadden gebeld zeker nog een keer invullen? Ik heb ze, heel laf, uiteindelijk gescand en gemaild.

Vreselijk, de brief sterft uit. En wie heeft er heden ten dage nou nog een postbus? Mijn vriend dus, overgehouden van toen hij enkele jaren in het buitenland woonde.

De enige andere postbushouder die ik ken is mijn stiefvader, type verstrooide professor. Ter voorbereiding op mijn postbusexpeditie vraag ik hem naar de zijne. Waarom heeft hij er eigenlijk een? Hij krabt aan zijn grijze baard en denkt lang na. „Ik heb hem gewoon al heel lang.” Lange stilte. Daarna: „Toen ik net een uitgeverijtje opzette, vond ik dat wel sjiek staan. Het was ook handig. Ik zat toen vaak op het PC Hoofthuis [mijn stiefvader studeerde enkele decennia Nederlands] en kon dan mooi even naar de overkant lopen om mijn post te halen. Ik kwam er elke dag, we [de postbusbezitters, MH] kenden elkaar daar ook allemaal min of meer. De baliemedewerker groette ons met ons postbusnummer. ‘Goeiemiddag, 11671!’” Ik zie een schittering in zijn ogen. We hebben het over de jaren ’70- ’80, toen het hoofdpostkantoor van de PTT nog zat in waar nu Magna Plaza zit. Als ik mijn stiefvader moet geloven was dat toen zo’n beetje het episch centrum van Nederland. Eindeloos veel balies met rijen ervoor. Opwinding, chaos. Het openen van een envelop was toen natuurlijk het equivalent van de huidige twee vinkjes boven een WhatsApp-bericht.

Hij stelt voor om samen naar de postbus te fietsen: „De laatste keer dat we samen gingen was je vijf, toen speelden we verstoppertje in dat postbussendoolhof.” Ik vind het jammer dat ik me dat niet meer herinner.

In het gebouw op het Singel, waar het hoofdkantoor eind jaren ’80 naar verhuisde en waar nu vooral een sportschool zit , zijn nog maar een paar wandjes postbussen in de kelder. In de postbus van mijn vriend vind ik een brief van de belastingdienst. Die van mijn stiefvader is leeg.