Geef ons humor en originaliteit

De ‘tolerante’ jury van de VSB Poëzieprijs 2015 moest kiezen uit 107 bundels en had een gelukkige hand van selecteren. Vijf sterke bundels bleven over.

Illustraties Paul van der Steen
Illustraties Paul van der Steen

Volgende week woensdag wordt de VSB Poëzieprijs voor de 21ste keer uitgereikt. Zoals gebruikelijk zijn er vijf nominaties, en in de keuze daarvan had de jury een gelukkige hand. Het aanbod was ook riant. In hun tussentijdse rapport roemen Peter Vandermeersch (voorzitter), Yra van Dijk, Ruth Joos, Antoine de Kom en Peter Theunynck de kwaliteit van de poëzieproductie tussen 1 september 2013 en 31 augustus 2014. ‘Het deed’, schrijven zij, ‘al pijn om zelfs maar tot een lijst van tien bundels te komen. Het terugbrengen van die tien tot een shortlist van vijf heeft voor werkelijke spanning binnen de jury gezorgd.’

Er is dus met zorg geselecteerd. Elke poëzieliefhebber zal misschien een of meer namen missen in het lijstje van de genomineerden. Waar zijn Marjolijn van Heemstra en Hans Tentije bijvoorbeeld? Maar op de keeper beschouwd is elk van de vijf nominaties terecht. En het zal nog een hele dobber worden om daaruit de winnaar te kiezen.

Tussen de 107 ingezonden bundels was werk van gevestigde dichters, zoals Armando, H.H. ter Balkt, Remco Campert, Judith Herzberg en K. Schippers. Hoewel de jury van mening is dat het nieuwe werk de faam van deze dichters bevestigt, kreeg geen van hun bundels een nominatie. Ook het jonge talent, ‘met een eerste of tweede bundel van een verbluffend niveau’, kwam niet over de drempel. Van vernieuwingsdrift is bij deze generatie volgens de jury geen sprake, ‘maar wel van humor, oorspronkelijkheid en kwaliteit, verstaanbaarheid en communicatie lijken belangrijker geworden, waarmee niet gezegd is dat deze poëzie dicht bij huis blijft.’

Dit is een heel ander, toleranter geluid dan de jury van vorig jaar liet horen. Die koos bovenal ‘voor het engagement, het onderzoek in de poëzie. De moed om radicaal voor taal en niets dan taal te kiezen. En de moed om het werk zo te laten rijpen dat het individuele uitgroeit tot het universele.’ In zo’n intellectualistische visie zal geen plaats zijn voor nominatie van een schijnbaar alledaags parlando, zoals Wim Brands dat onlangs vertolkte in ’s Middags zwem ik in de Noordzee: dat is een bundel die volgend jaar meedingt en dan, denk ik, serieuze overweging verdient.

De nominaties van dit jaar zijn deels toch ‘talig’. Dat geldt zeker voor Vlinderslag van Piet Gerbrandy en Ik trek mijn species aan van Sasja Janssen. De andere drie zijn vooral communicatief en hanteren dan ook een taal die zelden afwijkt van de gebruikelijke syntaxis. Dat betekent echter niet dat hun poëzie ‘dicht bij huis blijft’. Wij totale vlam van Peter Verhelst en Archaïsch de dieren van Hester Knibbe sturen elk op eigen wijze de blik van hun lezers. Mens Dier Ding van Alfred Schaffer is een verhaal apart, want zijn bundel is een epos, met alle lyrische voordelen en beperkingen vandien.

Gerbrandy’s Vlinderslag is kortelings bekroond met de Jan Campertprijs. In dit werk biedt de dichter opnieuw een staalkaart van zijn virtuoze kunnen. Lyriek, prozagedichten, een poëticale discussie uit de klassieke oudheid, en per pagina een regel nuchter commentaar op wat de samenleving bezielt. Gerbrandy blijft verbazen, maar voor lezers kan het te veel van het goede zijn. In Vlinderslag staan rake, elegant verwoorde uitspraken over de kus, maar heuse liefdeslyriek is bij Gerbrandy niet te vinden. Een lyrische inzet wordt systematisch om zeep geholpen. Dan begint een gedicht met ontboezemde regels als

Leen ik je zolang van de wind

straks geef ik je terug aan de aarde.

Hoe zeg ik je naam?

Hoe verneem ik je stem en bloos niet en hort in mijn antwoord?

Strijkt over mijn lippen je adem ik slik en mijn oog

is in je klaterbeek een blauwe kiezel.

Dit wekt verwachtingen op het middenrif, maar daar heeft deze dichter geen boodschap aan. ‘Naast bronnen verrijzen kolossen voor werk om het werken,’ vervolgt hij. ‘Hoe moet het met zware metalen? / Waar tappen zij stroom voor hun stalen glasvezelgeding?’ Dit is uiteraard bewuste ontregeling. Gerbrandy ontvouwt niet; hij verhult laag op laag. Niet wij spreken, heeft hij elders opgemerkt, maar het is de taal die ‘ons spreekt’. In Vlinderslag is veel over poëzie te ontdekken, maar de dichter houdt zich listig schuil.

Dat is het laatste wat je kunt zeggen over Ik trek mijn species uit van Sasja Janssen. Het is haar derde bundel, en daarmee is ze het ‘jonkie’ in het genomineerde gezelschap. Toch past ze daar heel stevig in thuis, al was het maar door haar volstrekt eigen idioom. ‘Thuis’ is trouwens een oneigenlijke term voor deze dichter. ‘Ontheemd’ is een sleutelbegrip in haar werk.

Het openingsgedicht van haar titelcyclus brengt het raadselachtig dwingend in woord. ‘Ik werd uit een punt geboren op een ochtend negen uur’, luidt de eerste regel. Het tweede en het derde couplet completeren het beeld. ‘De juiste, juist in scherpte en in volume door iemand / met een 9H in haar hand gezet, kort even genageld / ze noemden haar God behalve ik. // Een gruwelijk eerst, maar ik hield er eindelijk mee op / niemand te zijn.’ Zeventig pagina’s lang is de dichter in brekende, breekbare taal op zoek naar zichzelf. En als lezer kun je niet anders dan mee zoeken.

‘Het is zo moeilijk je tedere dingen op een tedere manier te herinneren.’ Zo’n regel lezen is alsof je op een punaise gaat zitten, Dat gevoel kreeg ik dikwijls bij het lezen van Wij totale vlam van Peter Verhelst. Als lezer word je ook voortdurend aangesproken, is het niet letterlijk, dan in beelden.

Een man staat in het water te kijken naar een vrouw, stelt Verhelst, en dan zet hij dit simpele gebeuren in brede penseelstreken neer. ‘Hoe de man en de vrouw elkaar aankijken, zonder te bewegen, hun adem / in wolkjes – alsof ze staan te roken – alsof enkel door aan haar te denken / uit de mond van de man een wazige vrouw opkringelt en uit de mond van / de vrouw een wazige man, en dat ze die enkel door te ademen / naar elkaar toe blazen, gedroomde slierten die elkaar / als twee gerafelde kledingstukken, waaruit twee maal tien vingers / en twee halzen, twee monden; alsof twee bleke lichamen / tegen elkaar op, op elkaar in, als haren in een vlecht verstrengelen.’ Dat is tedere lyriek over tedere dingen..

In Archaïsch de dieren tracht Hester Knibbe zich te verzoenen met de hinderlagen in het leven. Ze doet dat in volmaakt beheerste lyriek, waarin niet naar woorden lijkt te zijn gezocht. Vergankelijkheid, kwetsbaarheid, verlies en dood zijn kernthema’s in haar poëzie, maar steeds weer in andere, bij voorkeur minder of niet abstracte termen. Ieder vers is verwonderlijk reflectief. En bijna terloops is er dan zo’n overrompelend klassiek gedicht als het hierboven afgedrukte ‘Ja’. Zulke poëzie verdient een prijs, vind ik.

Maar er is concurrentie vanuit een onstuimige hoek. Alfred Schaffer las Chaka. An historical romance (1931) van de Zuid-Afrikaanse schrijver Thomas Mofolo, en schreef vervolgens Mens Dier Ding. Het werd een epos waarin alle denkbare verhaalregisters worden opengetrokken. Van tere lyriek, naar nuchtere straattaal, van cultureel fijnzinnig naar oorlogszuchtig. En vaak geestig, met de tong in de wang. Indrukwekkend is de beeldspraak in de dromen (of dagdromen) van zijn hoofdpersoon, de Afrikaanse dictator Sjaka.

De stijl is alledaags lyrisch, en zoals in Schaffers eerdere bundels lijken de teksten niet bedacht of verzonnen, maar simpelweg genoteerd. Het resultaat oogt in eerste instantie als een stapel scherven, maar na ruim 130 pagina’s laten die zich aaneenlijmen – al zal de interpretatie per lezer verschillen. Dat Mens Dier Ding ook over de kwetsbaarheid van eigentijdse asielzoekers gaat, wordt bij herlezing zonneklaar.

Bij het verschijnen van deze bundel noemde ik het boek een gebeurtenis in de poëzie, en dat vind ik nog steeds. Het zou me dan ook verbazen als de VSB Poëzieprijs 2015 op woensdag 28 januari niet aan Alfred Schaffer wordt uitgereikt. Mocht dat toch zo zijn, dan hoop ik op een bekroning van Archaïsch de dieren.