Een dijkenroute van 22.000 kilometer

Sinds monniken in de dertiende eeuw dijken gingen aanleggen, ontstond in Nederland een uitgebreid en gevarieerd dijkennetwerk. Twee landschapsarchitecten hebben het in kaart gebracht.

De Hondbossche zeewering met ‘betonzuilen’ in Noord-Holland
De Hondbossche zeewering met ‘betonzuilen’ in Noord-Holland Foto uit besproken boek

De bekendste dijk van Nederland, de Afsluitdijk, is eigenlijk geen dijk maar een dam. De afsluiting van de Zuiderzee heeft immers aan twee zijden water en dan is het geen dijk, maar een dam, zo valt te lezen in Dijken van Nederland. Toch hebben de makers van het boek, Eric-Jan Pleijster en Dees van der Veeken van LOLA Landscape Architects, de Afsluitdijk opgenomen in hun dijkenboek.

Naast enkele andere dammen, zoals de Haringvlietdam en de Amsteldiepdijk, en tientallen onvervalste dijken, van de Baardwijkse overlaat tot de Zuidelijke Vechtdijk bij Dalfsen, kreeg de Afsluitdijk dus een ‘portret’ in Dijken van Nederland. De portretten bestaan uit kaartjes, foto’s, tekeningen, zakelijke en technische toelichtingen over de geschiedenis en de bouw van de dijken.

De veertig portretten van ‘exemplarische’ dijken moeten tezamen een beeld geven van de 22.000 kilometer die Nederland ervan heeft. Tussen de portretten staan lange hoofdstukken over onder meer de toekomst en de geschiedenis van dijken. De geschiedenis begint al in de late IJzertijd toen in Nederland lage dijken van zo’n zeventig centimeter werden gebouwd. Maar de dijkenbouw begon pas echt goed in de Middeleeuwen. Vooral toen monniken zich in de dertiende eeuw met de bouw van dijken en landwinning gingen bezighouden, ging het hard. Veel van de veertig dijken in Dijken in Nederland bestaan dan ook al sinds de dertiende en veertiende eeuw.

Het laatste hoofdstuk behandelt, weer met behulp van vele tekeningen, de drieënveertig dijktypes die nodig zijn om een derde van Nederland droog te houden. Soms hebben die mooie namen, zoals spuikomdijk, zijdewende, waker, slaper en dromer. ‘Een wakerdijk is een direct water kerende dijk’, staat er als toelichting bij. ‘Een slaperdijk moet het zeewater keren als de waker bezwijkt. Een dromerdijk dient als waterkering wanneer de wakerdijk en de slaperdijk bij hoogwater doorbreken of overstromen,’

In hun inleiding schrijven de makers dat Dijken in Nederland behalve een naslagwerk ook een leesboek is. Maar een leesboek is deze eerste dijkenatlas, waarin bewonderenswaardig veel informatie over Nederlandse dijken bijeengebracht is, beslist niet geworden. Zelfs het hoofdstuk over de geschiedenis van dijken, die met talrijke doorbraken, overstromingen en wegspoelend land (de waterwolf!) toch buitengewoon dramatisch is, is een gortdroge opsomming van kale feiten en jaartallen.

Ook de essays van vijf experts maken van Dijken in Nederland geen leesboek. Daarvoor zijn ze, met een lengte van enkele bladzijden, te kort. Bovendien bestaan de essays van universitair docent landschapsarchitectuur Steffen Nijhuis en van topambtenaar Henk Ovink uit net zulk dor proza als bijvoorbeeld de beschrijvingen van de drieënveertig dijkentypes.