ECB vervreemdt zich van Duitsland, en dat is riskant

Toen de Europese Centrale Bank (ECB) vlak voor de invoering van de euro in het leven werd geroepen, bleek zij een kopie van de Duitse centrale bank: de Bundesbank. De manier van werken was hetzelfde, de beleidsdoelen en analyses waren eender en de vestigingsplaats was Frankfurt. Dat was geen toeval: de Bundesbank had een ijzersterke reputatie in het bevechten van inflatie. Duitsland domineerde het proces waarin de euro tot stand kwam en drukte er zijn machtige stempel op.

De Europese Centrale Bank was dus vooral Duits. Daar is sinds gisteren weinig meer van over. Zestien jaar na de invoering van de gemeenschappelijke munt nam de ECB het meest verstrekkende besluit in haar bestaan: het opkopen van overwegend staatsleningen voor een bedrag dat oploopt tot 1.140 miljard euro in de eerste anderhalf jaar. Dat kan op termijn overeenkomen met creëren van geld, ter waarde van 3.400 euro per inwoner van de eurozone. De beslissing is geheel tegen de wil van Duitsland. Dat verzette zich erhevig tegen, samen met onder meer Nederland.

De effectiviteit van deze maatregel is onderwerp van fel debat, de argumenten voor en tegen zijn al vaak en uitgebreid zijn beschreven. Maar het gaat hier niet alleen om economische theorie en financiële techniek. De ECB heeft, onder leiding van Mario Draghi, zodanig aangestuurd op het beleid van ‘kwantitatieve verruiming’ dat er vrijwel geen weg terug meer was: op de financiële markten zou gisteren een chaos zijn uitgebroken als de maatregel was uitgebleven. Het was te laat voor een elementair debat. Dat veel eurolanden minder tempo zullen maken met noodzakelijke hervormingen, nu de straf van hogere rentes op hun staatsleningen grotendeels is weggenomen, is een reële vrees.

Duitsland en Nederland zijn tegemoetgekomen door de risico’s op de gekochte staatsleningen weg te halen bij de ECB en vrijwel volledig voor rekening te laten komen van de nationale centrale banken. Mocht een overheid in gebreke blijven, dan belandt de schade eerst bij de eigen centrale bank. Of dat in de praktijk effectief zal zijn, is nog de vraag: de lotsverbondenheid binnen de eurozone blijft, via andere kanalen, zeer groot. En de inzet is, sinds gisteren, enorm verhoogd.

Een bezwaar tegen het neerleggen van risico’s bij de nationale centrale banken is dat dit de gemeenschappelijkheid van de ECB ondermijnt. Dat is zeker zo. Maar de werkelijke erosie heeft al plaatsgevonden in de manier waarop het nieuwe beleid is doorgedrukt. De standplaats van de centrale bank is Frankfurt. Maar dat is op dit moment zo ongeveer het enige Duitse wat er nog van over is.