De EU als tweede Zwitserland

De Europese Unie ligt op veel fronten onder vuur. Twee Duitse oud-politici, Helmut Kohl en Joschka Fischer, analyseren wat er aan de hand is en proberen oplossingen te bieden voor de huidige malaise.

Aanstaande zondag gaat Griekenland naar de stembus voor eennieuw parlement, dat zal bepalen of het land wel of niet uit de eurozone stapt.
Aanstaande zondag gaat Griekenland naar de stembus voor eennieuw parlement, dat zal bepalen of het land wel of niet uit de eurozone stapt. Foto Reuters

Europa trekt steeds meer vuur aan. Dat bleek in 2014 bijna letterlijk toen de EU op het buitenlandspolitieke front overvallen werd door zowel de Oekraïnecrisis als het islamitisch kalifaat in Irak en Syrië, met de recente aanslag op het Franse satirische weekblad Charlie Hebdo als voorlopig dieptepunt. Ook kwam de euro onder vuur te liggen, was er onenigheid over de begrotingspolitiek van Frankrijk en Italië, en dreigt sinds eind december een mogelijk Grieks uittreden uit de eurozone.

Dankzij die eurocrisis heeft Duitsland in Europa een leidende rol gekregen, die de problemen beheersbaar maakt, maar tegelijkertijd bijdraagt aan de onrust. De Europese integratie was tenslotte juist bedoeld om het ‘Duitse Probleem’ in te bedden.

Niet voor niets spreekt Duitsland tegenwoordig veel over Europa. En nu heeft ook ‘aartsvader’ Helmut Kohl zich in het koor gemengd. De oud-kanselier, die in 1990 de Duitse hereniging met een verdiepte integratie verknoopte, heeft zich uit zijn fysieke broosheid opgericht om een Europees appèl te doen. Zo maakt hij zich zorgen over de verkwanseling van zijn Europese erfenis en daarmee over de groeiende kwetsbaarheid van de positie van Duitsland in Europa.

Versloffen

Twee punten springen er in Kohls betoog uit: de eurocrisis en Oekraïne. Zo verwijt hij zijn opvolger Gerhard Schröder dat hij in 2001 het onrijpe Griekenland tot de eurozone toeliet en in 2003 de regels van het Stabiliteitspact aan zijn laars lapte. Schröder en Merkel zouden volgens hem Duitslands relatie met de Verenigde Staten hebben laten versloffen en te weinig omzichtig met Ruslands gevoeligheden zijn omgesprongen.

Kohl concludeert dat de EU zichzelf moet herpakken en een agenda voor verdere integratie moet opstellen. Daarvoor is een Politieke Unie nodig. Hij ligt dat begrip niet toe, maar hint naar een federalisering die bij een ‘superstaat’ ontbreekt. Ook is Europees leiderschap nodig, dat Kohl opvallend genoeg niet bij Frankrijk en Duitsland ziet, maar eerder bij de Europese Commissie. Europa moet weer handelen: ‘unsere Zukunft heisst Europa’.

Joschka Fischer, minister van Buitenlandse Zaken van 1998 tot 2005, deelt de zorg van Kohl. In zijn onlangs verschenen essay Scheitert Europa? graaft hij echter een stuk dieper naar vorm en inhoud van Europa’s crisis. De interne crisis sinds 2009, die van de euro, verbindt zich volgens hem sinds vorig jaar ook met een externe crisis, die van Europa’s strategische veiligheid. Beide crises vergen volgens Fischer stappen voorwaarts naar een federalisering. Terugkeren naar het door eurosceptici geïdealiseerde nationale verleden roept immers Europa’s oude kwalen – machtspolitiek en hegemoniestreven – weer tot leven, terwijl gewoon voortmodderen – de reflex van Europa’s huidige leiders – de problemen op den duur alleen maar verergert en de democratische ongeloofwaardigheid van Europa vergroot.

Bij de redding van de euro, die slechts oppervlakkig is gestabiliseerd, moeten Frankrijk en Duitsland volgens Fischer weer het voortouw nemen. Voor een duurzame oplossing zullen beide landen over hun schaduw moeten springen. Zo moet Duitsland de grote stap zetten naar europeanisering van schuldenaansprakelijkheid en Frankrijk die naar europeanisering van politieke soevereiniteit. Deze interne crisis is immers nog splijtender dan de externe, die de rijen doet sluiten.

Tegelijkertijd vergen de strategische bedreigingen – oude macht en nieuwe identiteit – volgens Fischer van EU-Europa veel meer integratie: van een Europese defensiepolitiek tot een Energie Unie. Ook denkt hij dat de relatie met Rusland geen nieuwe Koude Oorlog wordt, maar wel tot veel bevroren kwesties zal leiden, terwijl die met de politieke islam zeer ontvlambaar kan worden.

Anders dan Kohl durft Fischer wel een schets te geven van een verdere politieke Europese integratie. De Verenigde Staten van Europa zouden volgens hem sterke trekken moeten krijgen van Zwitserland: zoveel bondsstaat als nodig, zoveel statenbond als mogelijk. Daarbij beseft hij wel dat dit alleen voor de eurozone een wenkend perspectief is.

Wie Fischer niet zal volgen, is Jan Zielonka, een Pools-Nederlandse politicoloog die in Oxford doceert. Voor hem zit de EU op een dood spoor: veel Brusselse macht, weinig democratische legitimiteit, zwak leiderschap. Onderlinge afhankelijkheid leidt niet altijd tot meer integratie. Ook hij overweegt de mogelijkheid van verdere, verdiepte integratie. Federalisering wijst hij als onrealistisch af; de onenigheid erover is te groot en de weerstand in de lidstaten te sterk. Ook een door Duitsland gedomineerde ‘Bundesrepublik Europa’ acht hij onhoudbaar. Maar wat dan wel?

Zielonka, die zich weliswaar tot Europa bekent, bepleit een vorm van integratie ‘van onderop’. De EU zou veel van haar regulerende pretenties moeten laten varen en dit aan lagere niveaus overlaten. Daarbij slaat de auteur de nationale staat grotendeels over; ook die heeft zich bezondigd aan te veel politieke bevoegdheden.

Nee, het moet gaan om functionele integratie, waarbij al naar gelang het onderwerp steden, ondernemingstakken, NGO’s, enzovoorts hun eigen regels maken en instellingen scheppen.

Zielonka verwacht veel van internet en toekomstige technologie. In zo’n netwerksamenleving zal Europa nog steeds geïntegreerd blijven, en niet hoeven terugvallen op de interstatelijke concurrentie die in Europa zoveel kwaad heeft aangericht. Zou het kunnen werken?

Aspecten van Zielonka’s ‘neomiddeleeuwse’ perspectief op Europa kunnen hun waarde bewijzen; iets ervan is al zichtbaar in de wereld van internet start-ups. Maar dat het een alternatief biedt voor het Europese statensysteem is onwaarschijnlijk. Daarvoor abstraheert Zielonka teveel van de economisch-maatschappelijke noodzaak van staatsmacht – curieus voor een politicoloog – en laat hij de geschiedenis niet genoeg spreken.

Te veel geschiedenis

Een land met eerder te veel dan te weinig geschiedenis is Polen. Dat is precies de reden dat het steeds enthousiaster Europees wordt. Liggend tussen Rusland en Duitsland en twee eeuwen lang tussen die grootmachten gemangeld, is het pas sinds 1989 echt onafhankelijk. De onafhankelijke vakbond Solidariteit speelde daarin een belangrijke rol en de erfgenamen daarvan beheersen nog steeds de Poolse politiek. Donald Tusk, sinds 1 december de nieuwe president van de Europese Raad, is zo’n kind van Solidariteit, wat Europa nog zal merken. De onlangs verschenen verhalenbundel En nog is Polen niet verloren van NRC-correspondent Stéphane Alonso en journalist Thijs Papôt verschaft inzicht in het land dat net zover van Nederland ligt als Spanje, maar mentaal ver van ons afstaat. Het is goed dat we er meer over leren, niet alleen omdat er nogal wat Polen in ons land werken, maar ook omdat het als grootste nieuwe lidstaat een belangrijke rol – economisch en politiek – in de EU gaat spelen. Daarom is het jammer dat het boek een scherper licht werpt op het gesloten oude Polen dan op het open moderne Polen, dat de nieuw verworven Europese positie niet zal loslaten.

Europa blijft kortom een boeiende onderneming. Voorlopig moddert het voort. Maar elke crisis vraagt om stappen voorwaarts en om leiders die de noodzaak ervan inzien en daarvoor politieke steun verwerven. Wordt vervolgd.