De bladeren vallen voor twee criminelen

Illustratie Martien ter Veen

Op de woensdagen deed ik de kantine, op donderdagen maakte ik schoon en op vrijdag deed ik allerhande klusjes.

De Marokkaanse jongen die niet van zijn barkruk af wilde komen, was inmiddels klaar met zijn taakstraf en eigenlijk voelde dat als een opluchting. Tot het laatst noemde hij me broer en toen hij afscheid nam, wisselden wij telefoonnummers uit en noemde hij me gappie.

„Wij gaan contact houden, ik ga jou heel vaak bellen, gap”, zei hij.

Zodra hij het gebouw verlaten had, wiste ik zijn nummer uit mijn telefoon.

Vrijwel meteen werd de jongen vervangen door een Marokkaanse man van middelbare leeftijd. Hij was welbespraakt, een kop groter dan ik en had een interessant gezicht: zijn ogen waren groot en stonden vermoeid, zijn hoofd was kaalgeschoren en hij had een groot litteken dat van zijn oor tot zijn kin liep. Toen ik tijdens de rookpauze naar hem luisterde en zijn kleding bestudeerde – die net iets sjieker maar ook onopvallender was dan die van de jongen – moest ik concluderen dat deze man waarschijnlijk een echte crimineel was.

„Hoeveel uur heb jij, Dave?”, vroeg hij.

„Tweehonderdveertig”, zei ik.

„Ik ook. En hoeveel moet je nog?”

Ik hoefde het natuurlijk niet uit te rekenen. Elke morgen keek ik op het lijstje dat ik ’s avonds bijwerkte.

„Zesennegentig”, zei ik.

„Oh man, dat is voorbij voor je het weet.”

Hij pakte zijn werk professioneel aan. Zonder dat ik hem de tip hoefde te geven, liep hij de hele dag met een vuilniszak in zijn achterzak en dweilde gedurende de dag drie keer de vloer van de wc’s en vertelde mij een geheim: als je een beetje bleekmiddel door het sopje deed, kregen ze het idee dat het echt schoon was.

Tijdens de lunch vroeg hij me wat ik gedaan had. Hijzelf had tijdens het wegbrengen van de vuilcontainers openlijk verteld over een jarenlang gevecht met justitie dat uiteindelijk nadelig voor hem uitgepakt had.

„Ik heb de Belastingdienst getild”, zei ik.

„En daar krijg je tweehonderdveertig uur voor?”, vroeg hij met groot opgezette ogen en mayonaise op zijn lip.

„Ja”, zei ik, „het is een van de ergste dingen die je kunt doen.”

„Heb je dat gezien van die man die twee mensen doodreed? Die kreeg honderdtwintig uur, dat is belachelijk man.”

„Maar dit is wel een stuk beter dan in de gevangenis...”, begon ik, maar de man met de baard stond opeens voor mijn neus, zijn clipboard tegen zijn borst gedrukt.

Samen met de Marokkaanse man schoffelde ik de binnentuin. Hij zuchtte en steunde en zei een paar keer dat het totaal nutteloos werk was. Ikzelf vond het wel rustgevend.

„Kijk die bomen, man”, zei hij en wees naar boven, „denk je dat die zoiets hebben van: oh, nou gaan wij geen bladeren meer laten vallen als deze twee criminelen hebben schoongemaakt?”

De man mocht al om drie uur weg en ik moest tot vijf. Ook hij gaf me zijn nummer, ik was volgens hem een interessant iemand.

Ik zat in de binnentuin en zag de bladeren vallen en vroeg me opeens af of ik niet misschien gewoon een crimineel was.