Wij zijn niet Charlie, maar hij is wel van ons

Mensen als Theo van Gogh en de cartoonisten van Charlie Hebdo zeggen eigenlijk tegen hun omgeving: jullie nemen misschien genoegen met de geldende omgangsvormen om vreedzaam samen te leven, voor ons vormen die een pijnlijke belemmering, een obstakel om ons te ontplooien en gelukkig te worden. Zij claimen een uitzonderingspositie, zoals sommige sekten dat ook doen. In een westerse democratie zegt de meerderheid dan: oké, wij onderhandelen een optimale vrijheid voor onszelf, en tegelijk creëren we ruimte voor de buitencategorie die niet kan leven met dat compromis. Een soort gewetensbezwaarden-regeling. Als zo’n buitencategorie in moeilijkheden komt, moet de meerderheid haar beschermen. Ja, zij wijken af, zij gedragen zich anders, maar dat was afgesproken, zij hadden onze toestemming. Wij vinden dat dat moet kunnen. Dus kom je aan hen, dan kom je aan ons. Blijf met je rotpoten van onze rot-Theo af! Wij zijn dan misschien niet Charlie – dat was van de schrik, dan ga je overdrijven – maar Charlie ís wel van ons.

Uiteraard proberen sommigen ook in dit geval de kwestie anders te framen. Naar goed populistisch gebruik, bijvoorbeeld, als een conflict tussen de ‘elite’ en het ‘volk’. In deze krant gebeurde dat afgelopen zaterdag, in een stuk van Zihni Özdil. Ik was teleurgesteld, want ik ken Özdil als een bedachtzame, genuanceerde scribent, die een paar maanden geleden nog een fijnzinnig essay wijdde aan de Rotterdamse Markthal. Die ‘historische clusterfuck van onbeschaamde gentrificatie, segregatie en neoliberalisme’. Waar de uitbaters geen ‘echte marktkooplui’ zijn maar ‘snelle hipsterboys’ die ‘gebakken lucht’ verkopen, en ‘vunzinge pretentie’. Een wapen, jawel, in ‘de oorlog tegen de armen’. ‘Pleurt op met je langoustines en je biosmoothies!’ In Özdils bijdrage van afgelopen zaterdag herkenden wij meteen diezelfde ragfijne stijl. De Nederlandse wetgeving op het gebied van meningsuiting is een ‘elitaire muilkorf’ tegen ‘die segmenten van de samenleving wier „beledigingen” wij niet willen horen’, schrijft hij. Mensen die voor belediging worden gestraft ‘komen voornamelijk uit de lagere klassen of zijn allochtoon. Kortom, het plebs moet vooral zijn plek kennen.’ Hulde! – het werd tijd dat iemand deze vorm van klassenjustitie eens aan de kaak stelde. Bij burengerucht zien wij bijvoorbeeld iets dergelijks: kleinbehuisden worden daar véél vaker voor veroordeeld dan villabewoners! Of neem het wildplassen: waarom worden vrouwen daar eigenlijk zo veel minder voor gestraft? Klasse- én genderjustitie komen hier samen. Dat de Nederlandse moslimelite not amused was over de ‘islamofobe’ tekeningen van de kansarme kunstenaar Gregorius Nekschot en het OM via het oldmuslimboysnetwork opdracht gaf om hem van het bed te lichten, vormt natuurlijk ook een duidelijk bewijs. Ai ai, wat een onzin.

Het had een haar gescheeld of Pim Fortuyn was premier van Nederland geweest, Geert Wilders zit al 20 jaar in de Tweede Kamer en leidde (mede) een kabinet, Theo van Gogh kwam uit Wassenaar, publiceerde in gerespecteerde media en verkeerde in de hoogste kringen en Jeannette Bougrab, de vriendin van Charb, hoofdredacteur van Charlie Hebdo, was ooit minister. Je kunt alles wat je niet aanstaat wel ‘elite’ noemen, maar wat er in ‘PVV for dummies’ staat, dat weten we nu wel. Je kunt wel prat gaan op je humble beginnings en schuimbekkend van irritatie (met je baard en je Ray-Ban) door een trendy Markthal lopen, maar ben je dán een jongen van het volk? Elite en niet-elite is niet hetzelfde als establishment en subversief. Want hoe zouden wij promovendus, Erasmus-medewerker en NRC-contribuant Zihni Özdil dan zelf moeten plaatsen?