Solinís: aimabele, atypische gitaargek

Barokgitarist Enrike Solinís vindt de moderne muziekwereld sektarisch en stom. En Rodrigo’s ‘Concierto de Aranjuez?’ Dat is gewoon volksmuziek. Portret van een aanstekelijk, tegendraads talent.

Enrike Solinís: „Barok is bourgeois geworden.”
Enrike Solinís: „Barok is bourgeois geworden.” foto Bram Budel

Enrike Solinís vindt het allemaal volstrekt vanzelfsprekend. De sympathieke Baskische barokgitarist plukt wat aan zijn weelderige bos bruine krullen en neemt nog een slok bier. „It is natural”, zegt hij laconiek en haalt zijn schouders op.

Daar zit je dan als welwillende muziekjournalist, met je vragen. Op zijn geweldige cd Colores del Sur uit 2013 speelt Solinís stukken van barokcomponisten als Scarlatti, Sanz en Kapsberger zoals je ze nog nooit hebt gehoord, vitaal, met veel improvisatie en vrijelijk toegevoegde percussie, alsof het volksdansen zijn – wat het ook zijn, vindt Solinís. Maar dat is logisch. Dat niemand anders die muziek zo aanstekelijk en losjes benadert, en dat zijn cd een groot succes is, ja, moet hij toegeven, dat is eigenlijk wel gek.

Gelukkig is percussionist Dani Garay ook bij het interview aanwezig. Het duo heeft net twee stukken opgenomen voor een aflevering van Vrije Geluiden die geheel gewijd is aan de Flamenco Biënnale (uitgezonden op zondag 18 januari).

In de foyer van het Bimhuis neemt de verslaggever ook maar een glas bier en luistert aandachtig naar Garay, die uitleg en interpretatie verschaft bij Solinís’ elliptische, half-Spaanse, half-Engelse antwoorden. Nu beargumenteert Garay dat Solinís’ benadering voor hemzelf zo vanzelfsprekend is dat de gitarist zich nauwelijks nog rekenschap kan geven van de ongewoonheid ervan. „Enrike is volledig oprecht en serieus in zijn muziek”, zegt Garay. „En dat horen luisteraars meteen. Dat slaat aan.”

Solinís trad veelvuldig op met de grote namen uit de oudemuziekwereld, zoals Jordi Savall, René Jacobs en Emmanuelle Haïm. Daarnaast heeft hij veel moderne muziek gespeeld, maar de hedendaagse compositiewereld vindt Solinís in veel opzichten sektarisch: men meent dat de eigen weg de enige juiste is. „En dat is stom”, zegt Solinís ferm, want een concept of een richting is altijd een keuze. „Ik ben veertig, ik heb veel gestudeerd en ik heb geen tijd meer voor stommiteiten.” Om er met een lach aan toe te voegen: „Alleen voor mijn eigen stommiteit.”

Solinís is een nogal atypische klassieke musicus. Als begenadigd virtuoos op alle instrumenten uit de gitaarfamilie heeft hij ooit een soloprogramma gemaakt dat ‘El loco de la guitarra’ (de gitaargek) heette, waarin hij ze allemaal voorbij liet komen: van de 16-eeuwse vihuela, via varianten uit de barok en klassieke periode, tot en met de elektrische gitaar. Voor de grap speelt hij een stukje van heavymetal-gitarist Yngwie Malmsteen op zijn prachtige slanke barokinstrument. „Dit vond ik vroeger te gek”, zegt hij. „Maar het werd al snel saai.”

Als jongen begon Solinís met zowel klassiek als elektrisch gitaar. Maar hoewel hij het klassieke repertoire nog steeds mooi vindt, mist hij in de hedendaagse uitvoeringspraktijk een concept van wat de gitaar wérkelijk is. Hij doet een reeks instrumenten na om zijn punt te illustreren – het geluid van een viool, hij trommelt op de tafel. En een gitaar? Rakketang! Het met de nagels (of een plectrum) tegelijk aanslaan van meerdere snaren, wat in het Spaans rasgueo heet en zo belangrijk is in de flamenco, dát is de ziel van het instrument. Met beschaafd gepingel heeft Solinís niks. Een perfect gestileerde uitvoering van Rodrigo’s Concierto de Aranjuez, waarschijnlijk het beroemdste gitaarstuk, vindt hij net zo saai als het virtuoze gepiel van Yngwie Malmsteen. Het kan heel goed zijn, maar het is al zó vaak gedaan.

Solinís en Garay grijpen naar hun instrumenten en roepen dat ze het Concierto de Aranjuez heel goed met alleen gitaar en tamboerijn kunnen uitvoeren. „Dit is gewoon volksmuziek!”

Vervolgens pakt Solinís mijn blocnote af en begint geestdriftig te tekenen. Er verschijnt een diagram dat de parallelle ontwikkeling toont van enerzijds volksmuziek en anderzijds ‘concertmuziek’, oftewel de serieuze muziek van hof en kerk.

De barokdansen van Gaspar Sanz, Santiago de Murcia en Antonio de Santa Cruz die Solinís op Colores del Sur speelt, zijn in de achttiende eeuw ontstaan uit de Spaanse volksmuziek – net als flamenco, eind negentiende eeuw, onderwijst hij. De partituren van die barokdansen bevatten allerlei ‘gaten’, die door de uitvoerder met improvisatie moeten worden ingevuld.

Voor Solinís is het logisch dat hij bij het vullen van die gaten niet naar technieken uit de concertmuziek kijkt, maar naar de flamenco, die voortkomt uit dezelfde bron: de veelkleurige Spaanse volksmuziektraditie. Met dezelfde bril en brille benaderde hij de Italiaanse barok van Scarlatti en Kapsberger, met verfrissend resultaat.

„Barok is bourgeois geworden”, zegt Solinís. „De percussie is uit de klassieke muziek gehaald. Terwijl ritme juist het hart van de muziek vormt. Dát willen mensen horen, want dát is natuurlijk.” En Enrike Solinís geef je natuurlijk zonder meer gelijk.