Wij wonen ook aan het kanaal in Oranje

Ze ontvluchtten de oorlog en kwamen terecht in een vakantiepark in Drenthe. Tekst Wubby Luyendijk Foto’s Sake Elzinga

Dit zijn de nieuwe buren van het Drentse kanaaldorp Oranje. Ze zijn gevlucht uit Syrië en wonen met 600 asielzoekers in een vakantiepark. Drie keer per week, op maandag, woensdag en vrijdag, steken de mannen het kanaal over om te voetballen. Dat doen ze achter de kwekerij van Jan Voortman, het Centraal Orgaan opvang asielzoekers betaalt hem er zo’n 25 euro per keer voor.

Het is chaos als de mannen binnenstormen. Shirtjes aan, kicks eronder en zo snel mogelijk het veld op, ook als het gevroren heeft. Willen ze op de foto? Best, gebaren ze met handen en voeten want de meesten spreken alleen Arabisch. Zolang ze daarna maar trainen kunnen. „Voetballen”, zegt Mohamad Mokem Al Jaradat, „dat is mijn toekomst in Nederland.”

Tot afgelopen jaar speelde Mohamad Mokem Al Jaradat (16) in het nationaal jeugdteam van Syrië.. „Maar toen kwam de oorlog en kwamen de bommen en moesten we vluchten.” Via Afrika, van Soedan naar Libië. Toen met de boot naar Italië. En uiteindelijk in de auto naar Nederland. „Het kostte een smak geld. Zesduizend euro moesten we betalen.”

De vader van Mohamad, Musa, traint de mannen. Vorige week waren ze bij FC Emmen. Voorzichtig heeft Mohamad gepeild of er interesse in hem was. Maar de club wil pas praten als de voetballers een verblijfsvergunning hebben. In Oranje hebben de vluchtelingen die papieren nog niet, de meesten wachten nog op een eerste gesprek met de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND).

Dat doet ook Nour Hassan Alahmad, hij is 24 jaar en komt uit Aleppo. Hij zat tot twee weken geleden in Ommen, in een hotel met vluchtelingen. Maar in Oranje, dat 140 inwoners heeft, vindt hij het leuker. Hij heeft meer aanspraak. En er is voetbal. Hij pakt een oranje bal en trapt die een gat in van de voetbalgolf. Nour: „Alleen kan ik mijn droom waarschijnlijk niet waarmaken. Joop Gall, de trainer in Emmen, zei dat ik te oud ben om prof te worden.”

Er komen kinderen het terrein op fietsen. Zij spreken wel een beetje Nederlands, net geleerd van juf Jacolien op school. Een paar lopen de kwekerij in, op zoek naar het voetbalspel. Anderen gaan kijken naar hun vader. Tasneem straalt. „Nee, mijn papa kan er niet zoveel van”, lacht ze. Ze heeft met haar moeder geskypet. Die zit nog in Griekenland met haar kleine zusje. „Nog even en ze hebben genoeg gespaard om ook naar Oranje te komen. Dat vind ik heel fijn.”