Te slimme musicals voor film?

Hij maakt musicals voor fijnproevers. Dat maakt verfilmen lastig.

Meryl Streep als de toverheks in Into the Woods; uiteraard weer goed voor een Oscarnominatie, haar negentiende
Meryl Streep als de toverheks in Into the Woods; uiteraard weer goed voor een Oscarnominatie, haar negentiende

Erg imposant is de filmcarrière van Stephen Sondheim tot dusver niet. De grootste musicalvernieuwer van de laatste halve eeuw is nu vier keer verfilmd, maar geen van die vier films haalde het niveau van de gelijknamige theatermusical. Eén ervan was zelfs een rampzalig misbaksel dat de Nederlandse bioscopen nooit heeft gehaald. En van Into the woods, die hier vanaf volgende week wordt vertoond, valt hooguit te zeggen dat het in elk geval de minst slechte van allemaal is. Maar ook ditmaal blijven musical en film ongemakkelijk samengaan. De ideale Sondheim-verfilming is, kortom, nog steeds niet gemaakt.

De vraag luidt alleen hoe dat dan zou moeten. Sondheim is bij uitstek een theaterman. Hij maakte zijn Broadway-debuut in 1957 als tekstdichter voor West Side Story, op de strakgespannen muziek van Leonard Bernstein, maar werkte al spoedig uitsluitend als tekstdichter én componist. In die dubbelfunctie schreef hij bijna twintig musicals waarin zelden een zonnig verhaaltje volgens traditioneel procedé werd verteld. Behagen is niet zijn beroep; hij lost bij voorkeur dramatische – en theatrale – puzzels op door onderwerpen te kiezen die zich nauwelijks in een reguliere intrige laten vertellen. Over een reünie van oude revuesterren bijvoorbeeld (Follies), de wijze waarop Japan zich ooit liet verleiden tot overgave aan de westerse invloedssfeer (Pacific Overtures), de figuratie op het beroemde Grande Jatte-schilderij van Georges Seurat (Sunday in the Park with George ) of de elf lieden die ooit een al of niet geslaagde aanslag op een Amerikaanse president hebben gepleegd (Assassins).

Daarbij schrijft Sondheim songs die niet als losse nummertjes in het scenario worden geplaatst, maar onlosmakelijk een eenheid vormen met de gesproken teksten. Zijn musicals zijn mozaïeken; de spreektaal gaat vrijwel ongemerkt over in zang. De muziek lijkt op het eerste gehoor te grillig om een groot publiek aan te spreken. Wie vaker luistert, hoort echter heel wat meezingbare melodieën, al zal iedere volgende noot nooit volledig voorspelbaar zijn. Datzelfde geldt voor zijn zangteksten, bruisend van de binnen- en buitenrijmen, vol virtuoos verstopte grappen en oneliners. Ook speelt Sondheim graag met de theaterconstructie van twee aktes plus pauze. Meer dan eens laat hij songs uit de eerste helft terugkeren in de tweede, waar ze een andere, tegengestelde betekenis krijgen. Of hij maakt de pauzefinale tot een happy end, om daarna aan een nieuw verhaal te beginnen dat lijkt te weerkaatsen wat er eerder is gebeurd.

Probeer daar maar eens een film van te maken. Het is welhaast per definitie ondoenlijk: een Sondheim-musical, die het kunstmatige tot kunstzinnigheid verheft, als basis voor een film – het medium dat eerder realisme nastreeft. West Side Story lijkt een geslaagde uitzondering, maar dat is dan ook meer een Bernstein- dan een Sondheim-musical, met een intrige die volgens de gebruikelijke weg van a naar z gaat.

A funny thing happened on the way to the Forum, in 1966 geregisseerd door Richard Lester, was de eerste echte Sondheim-verfilming. Die viel verhoudingsgewijs nog mee, omdat de plot was ontleend aan diverse werken van de Romeinse toneelschrijver Plautus, de grondlegger van de klucht. De noodzaak tot realisme was zodoende niet al te groot. Sommige locaties waren nadrukkelijk decors en deden niet hun best op de werkelijkheid te lijken. Maar met de typische theatervorm van de voorstelling binnen een voorstelling wist Lester zich geen raad. Hij liet de kadrering weg en schrapte voorts diverse songs.

Het is alsof zulke films liever niet willen weten dat ze musicals zijn. Dat geldt in de hoogste mate voor de tweede in de rij: A Little Night Music uit 1977. Een levenloze bedoening is dat, waaruit alle esprit van het origineel, alle dubbele bodems en enkele van de beste songs zijn verdwenen. Terwijl die musical nota bene was gebaseerd op een film (de elegante Bergman-komedie Glimlach van een zomernacht) en de filmversie werd gemaakt door de gerenommeerde Broadwayregisseur Harold Prince. De ironisch geformuleerde tristesse van Send in the clowns, de enige hit die Sondheim ooit schreef, zakt hopeloos weg in de vlakke vertolking van hoofdrolspeelster Elizabeth Taylor.

Nummer drie was de veel recentere Sweeney Todd (2007) van cineast Tim Burton, die wel een mooie, gravure-achtige vorm had gevonden voor het negentiende-eeuwse Londen waar dit melodrama zich afspeelde, maar te kampen had met het feit dat Johnny Depp en Helena Bonham Carter te weinig vocale expressie te bieden hadden. Ook lukte het Burton niet een filmisch equivalent te vinden voor het vlechtwerk van intrige, tekst en muziek dat de theaterproductie zo pakkend maakt. De songs bleven los van de intrige.

Into the woods is geslaagder, maar ook hier verdween de tweedeling – de tegenstelling tussen de twee akten. En wederom zijn er songs en songreprises geschrapt die de musicalminnaar node mist. Zo zingt de heks (de Oscar-genomineerde Meryl Streep) nog wel dat kinderen nooit luisteren naar wat hun ouders zeggen, maar niet meer de correctie: kinderen volgen wél het – niet als zodanig bedoelde – voorbeeld van hun ouders.

De uitkomst blijft, ook na vier films, dat de theatermusical toch beter is.