Ruttes laatste grote hervorming?

De senaat stemde gisteren in met de vervanging van de studiefinanciering door een leenstelsel – een grote verandering voor studenten. Minister Bussemaker had in het debat alle verbale lenigheid nodig.

Een majeure politieke overwinning, misschien wel de laatste grote hervorming van het kabinet-Rutte II en een radicale wijziging van de manier waarop de overheid het hoger onderwijs financiert. Met de instemming van de senaat, gisteren, wordt de studiefinanciering voor alle studenten in het hoger onderwijs per 1 september vervangen door een leenstelsel.

Wat minister Schippers (Zorg, VVD) vlak voor Kerst niet lukte, lukte minister Bussemaker (Onderwijs, PvdA) gisteren wel. Ze overtuigde de Eerste Kamer van het nut van het sociaal leenstelsel, ondanks negatieve beeldvorming rond haar wetsvoorstel. Want net als tijdens de Kerstcrisis stond de framing van het kabinetsbeleid in dit debat centraal.

Bussemaker kreeg vooral van senatoren van de eigen PvdA verwijten over haar presentatie van het leenstelsel. Eerder hield zij studenten voor dat een opleiding „een investering in jezelf” is; een belegging waarvoor je best een forse schuld kunt aangaan. Maar gisteren had ze het niet meer over „de investerende student”, maar over „de verantwoorde student”. De student die bewuste keuzes maakt over zijn of haar opleiding, maar dat zeker niet alleen maar doet om later rijk te worden. „Bildung”, zelfontplooiing, was opeens haar toverwoord.

Verschuiving van middelen

De veronderstelling dat kinderen van ouders met een laag inkomen erop achteruit gaan als ze geen maandelijkse ‘stufi’ meer krijgen, keerde ze ook om. Arme studenten merken juist het minst van de veranderingen, want zij hebben nog steeds recht op studiebeurzen, terwijl rijkere studenten niet langer hetzelfde bedrag ontvangen. Nivellering eigenlijk, al gebruikte ze dat woord natuurlijk niet – framing waar coalitiepartner VVD jeuk van zou krijgen.

Ook schetste Bussemaker helder de achterliggende gedachte van het afschaffen van de studiefinanciering. De overheid blijft het leeuwendeel van het hoger onderwijs betalen. Maar in plaats van een fors gedeelte van dat geld op de bankrekeningen van studenten te storten, wordt jaarlijks bijna een miljard extra aan onderwijsinstellingen gegeven om bijvoorbeeld meer docenten en beter onderzoek mogelijk te maken. De exacte besteding is overigens nog niet duidelijk.

Een zorg kon ze niet wegnemen: als de financiële overweging belangrijker wordt, zullen enkele duizenden niet doorstuderen. Maar, zo benadrukte de minister „we moeten accepteren dat mbo-4 een afgeronde opleiding is en dat je daarmee heel goed en soms zelfs beter een plek op de arbeidsmarkt kunt vinden”. Ook de VVD sprak uit dat Nederland misschien wat veel hoogopgeleiden heeft die geen baan op dat niveau kunnen vinden.

Betere aanpak Bussemaker

Beeldvorming, daarin had het kabinet het vlak voor Kerst nog afgelegd in de senaat. Meer macht voor zorgverzekeraars was door tegenstanders succesvol neergezet als een onaanvaardbare beperking van de vrije artsenkeuze. Opponenten, onder wie drie PvdA’ers, deden het voorkomen alsof patiënten straks alleen nog naar de dokter zouden mogen die hun zorgverzekeraar uitkiest. En Schippers nam die angst onvoldoende weg. Einde voorstel, begin crisis.

Dat pakte minister Bussemaker gisteren beter aan. Ze liet zich niet klemzetten in doemverhalen van studentenbonden over verlammende leenangst en universiteiten als uniforme opleidingsfabrieken vol eenheidsworst. Ze overtuigde zo bijvoorbeeld de kritische PvdA-senator Ruud Koole doordat ze „afscheid heeft genomen van het doorgeslagen rendementsdenken”, zei hij na het debat. „Ze heeft het paradigma losgelaten van de investerende student die alleen gaat studeren om daarna lekker veel geld te verdienen.” Een manier van denken die Koole wellicht te veel naar de rechtse coalitiepartner VVD rook.

Tegen middernacht stemden de senaatsfracties toch precies zoals hun partijgenoten in de Tweede Kamer dat hadden gedaan. VVD en PvdA stemden voltallig in, net als gedoogpartner D66 en gelegenheidsondersteuner GroenLinks.

Dat de studiefinanciering is afgeschaft is een overwinning voor het kabinet. Hoewel het leenstelsel geen gevolgen heeft voor de rijksbegroting – het vrijgespeelde geld wordt immers in het hoger onderwijs gestoken – is het toch één van de grote hervormingen uit het regeerakkoord. Het was één van de eerste onderwerpen waar VVD en PvdA het tijdens de formatie over eens werden. Ook D66 en GroenLinks waren al voorstander van een leenstelsel, maar voor hun steun was een akkoord met behoud van de ov-jaarkaart en extra inspraak voor studenten op de begroting van hun instellingen nodig.

Bussemaker zegde de Eerste Kamer extra steun toe voor studenten die puur om financiële redenen niet verder willen studeren. Maar bovenal bood ze haar excuses aan dat „verwarring is ontstaan over de terminologie”.