Pegida is helemaal niet zo xenofoob

Ze zijn tegen islamisering, maar staat de Duitse Pegida-beweging niet ook voor politieke onvrede, vraagt Jan Dirk Snel zich af.

illustratie petar pismestrovic

Elke maandag gaan in Duitsland duizenden demonstranten de straat op. Hun program is helder. Ze zijn voor het opvangen van oorlogsvluchtelingen en politiek of religieus vervolgden. Dat is een humanitaire plicht, menen ze.

Ze keren zich ook tegen de mensonwaardige wijze waarop deze vluchtelingen momenteel vaak gehuisvest worden. Ze komen op voor een decentrale opvang. En ze willen dat het aantal begeleiders van asielzoekers drastisch uitgebreid wordt. Nu is er op elke tweehonderd asielzoekers slechts één maatschappelijk werker beschikbaar en dat betekent volgens hen dat deze ‘deels getraumatiseerde mensen’ in werkelijkheid helemaal geen ondersteuning krijgen. Dat kan zo niet langer.

U begrijpt het al: ik heb het over de tienduizenden demonstranten die de straat opgaan om een tegenstem te bieden aan de xenofobe Pegida-beweging en deze in aantal verre overtreffen. Mis dus. Alle punten die ik noemde, zijn afkomstig uit de negentien stellingen tellende standpuntbepaling van Pegida. Naar Duitse snit is het een typisch ‘politiek correct’ werkstuk: veertien keer vertelt het waar men voor is en dan volgen aan het slot nog vijf zaken waar men tegen is.

Mijn weergave was uiteraard selectief. Pegida is ook voor een eerlijkere verdeling van asielzoekers over alle EU-landen en voor invoering van het Nederlandse of Zwitserse model. Men wil snellere procedures en meer menskracht, bij de immigratie- en vluchtelingendienst en bij de politie. En men wil streng zijn. Zo pleit men voor een zerotolerancebeleid jegens asielzoekers en migranten die strafbare feiten begaan. Maar op een enkele kleinigheid na staan er niet zoveel gekke dingen in het programma. Wie zou er nou niet tegen radicalisme, ‘of die nu religieus of politiek gemotiveerd is’, zijn?

Toch is er iets vreemds met dat programma. Het legt namelijk niet goed uit waarom men zich Patriotische Europäer gegen die Islamisierung des Abendlandes noemt. Ja, waarom men zich Europeanen en niet Duitsers noemt, wordt wel duidelijk: men denkt in Europese termen. En bij dat ‘Avondland’ hoeft men ook niet onmiddellijk aan de ondergangsfantasieën van Oswald Spengler te denken: het is in Duitsland een gangbare aanduiding.

Maar waarom men zich tegen de ‘islamisering’ van Europa keert, dat wordt nergens verklaard. Het woord ‘islam’ komt in het hele document niet voor en het woord ‘moslims’ maar één keer, namelijk als men stelt dat men zich verzet tegen een ‘vrouwonvriendelijke, gewelddadige politieke ideologie, maar niet tegen moslims die hier wonen en integreren’. Dat is alles.

Het is daarom niet onbegrijpelijk dat veel Duitsers het niet helemaal vertrouwen. In haar nieuwjaarsrede ging bondskanselier Angela Merkel hen voor. Volgens haar roepen de demonstranten wel ‘Wij zijn het volk’, maar bedoelen ze in werkelijkheid: ‘Jullie horen er niet bij – vanwege jullie huidskleur en jullie godsdienst’. En de rechtse boulevardkrant Bild liet onlangs tachtig bekende Duitsers opdraven die zich allemaal achter de leus Nein zu Pegida schaarden.

Het zit er natuurlijk dik in dat heel wat demonstranten iets anders bedoelen dan in het (tamelijk) keurige programma van Pegida staat. Een dergelijke beweging trekt vanzelfsprekend allerlei dubieuze figuren aan en daar zijn ook genoeg aanwijzingen voor. Toch kan men zich afvragen of de massieve afwijzing niet over het doel heen schiet.

Minister van Justitie Heiko Maas, die in een demonstratie zelfs meeliep voor een spandoek Berlin gegen Nazis (dat hij overigens vast niet zelf beschilderd heeft), koos voor felle bewoordingen. Minister van Binnenlandse Zaken Thomas de Maizière, op zich even kritisch, sprak over de ‘zorgen’ van de mensen die men serieus moest nemen.

Beide reacties lijken me niet erg adequaat. Men praat namelijk wel over de demonstranten, maar men gaat niet werkelijk in op wat die zelf zeggen. Men meent dat al te weten. Hetzelfde zie je in Duitse nieuwsuitzendingen. Na een moraliserende inleiding volgen er soms wel wat korte gesprekken met demonstranten, maar zonder dat die duidelijk maken wat er nu zo fout is aan hun intenties.

Taalwetenschappers hebben zelfs het regelmatig door demonstranten gescandeerde woord Lügenpresse tot Unwort des Jahres verkozen, om zo duidelijk te maken dat de demonstranten aansluiten bij typisch nationaal-socialistisch taalgebruik. Dat die zouden kunnen bedoelen dat de pers hen echt geen recht doet, komt kennelijk niet eens op.

Uiteraard is er iets mis met Pegida. Natuurlijk is er feitelijk geen sprake van ‘islamisering’ in Duitsland en al helemaal niet in Dresden, het centrum van de beweging, waar hoogstens 0,4 procent van de bevolking moslim is. Men moet wel iets anders bedoelen dan men zegt. Maar wat? Men ziet dan ook dat veel journalisten, politici en wetenschappers alvast met eigen verklaringen komen. Het zou in werkelijkheid om armoede gaan, of om (Oost-Duitse) vervreemding of om nog iets anders. Verklaringen buitelen over elkaar heen. Maar één ding hebben ze gemeen: ze gaan wel over die demonstranten, maar men praat niet met ze.

Dat zou de sleutel zijn. Men zou de demonstranten moeten vragen wat ze dan wel bedoelen. Met name Duitse politici zouden dat gesprek aan moeten gaan. Niet in de trant van: wij begrijpen uw zorgen, want zolang men die niet concreet kent, is dat alleen maar paternalistisch gezwets. Men moet dus echte vragen stellen en ook echte tegenspraak bieden: wat u zegt, kan niet kloppen, maar wat wilt u dan wel?