In gevecht met zijn innerlijke superheld

Michael Keaton is geweldig als de extravagante, geplaagde acteur die niet helemaal meer in staat is om waan en werkelijkheid uit elkaar te halen in Birdman, de zwarte komedie van regisseur Alejandro Iñárritu. Dertig jaar geleden stond hij aan de top van zijn professie als de superheld Birdman in een succesvolle filmreeks. Maar de jaren beginnen te tellen en nu wil hij laten zien dat hij meer in zijn mars heeft. Daarom financiert hij met eigen geld op Broadway een toneelstuk gebaseerd op een bona fide literaire klassieker: een kort verhaal van schrijver Raymond Carver.

Niet alleen Keaton excelleert in de film; alle acteurs zijn geweldig in een woeste film, die van alles en nog wat in de pot gooit, flink roert en dan maar ziet wat ervan komt.

Dat is natuurlijk een illusie; theater. Maar door de energieke camerabewegingen en de lange takes die naadloos in elkaar overgaan, ontstaat een illusie van spontaniteit die volstrekt overtuigt. Dat maakt Birdman filmisch – met die nadrukkelijk aanwezige camera van Emmanuel Lubezki, die ook Gravity draaide. Maar de film is tegelijkertijd heel theatraal; alles draait om de performances van de acteurs, die ook de tijd krijgen; niet gehinderd door knip-en-plakwerk in montage. Birdman is een ritje in de achtbaan, opzwepend, ook door de soundtrack vol percussie; een film vol onverwachte wendingen, operateske ruzies en kluchtige situaties.

Niet bar veel te melden

De vraag is alleen: wat is de optelsom van al die virtuositeit? De personages zijn niet zo heel veel meer dan wandelende clichés: de bezeten, zelfingenomen methodacteur die alleen oog heeft voor zijn ‘artistieke proces’ (Edward Norton), de filmster op leeftijd die op de valreep als kunstenaar serieus genomen wil worden (Keaton), de onzekere actrice die haar droom van Broadway ziet uitkomen (Naomi Watts), de verwaarloosde, aan de drugs geraakte telg van een Hollywoodfamilie (Emma Stone). Na die lange rij types is het niet verbazend meer als er ook nog een verzuurde theatercriticus voorbij komt, die haar stukken schrijft vanachter een martini aan de bar, en die al bij voorbaat verklaart het stuk de grond in te gaan boren. Alle virtuositeit van de wereld kan niet verhullen dat Iñárritu niet zo bar veel te melden heeft.

Voor zijn effectiviteit gebruikt Birdman voor een belangrijk deel dezelfde middelen van het blockbustergenre dat de Birdman in de film nu juist achter zich wil laten: films die voornamelijk draaien om beweging en opwinding. Birdman maakt ook veel herrie en er zijn talloze explosies, alleen zijn de explosies hier van een iets andere aard. Een groot plezier om naar te kijken, daar geen misverstand over, maar feitelijk een voortzetting van de blockbustercultuur met andere middelen; een vorm van ironie die zichzelf in de staart bijt.