Gruwelijk slecht kan zo heerlijk zijn

Sommige films zijn zó slecht dat ze juist daardoor een fanatieke aanhang hebben. De genomineerden voor de Razzie voor de slechtste film van het afgelopen jaar hoeven dus niet per se te wanhopen.

Naast de Oscargenomineerden zijn de afgelopen week ook de nominaties voor de Golden Raspberry Award bekendgemaakt, de kanshebbers voor de titel ‘slechtste film van 2014’. Aan kop bij de Razzies met zeven nominaties: Transformers: Age of Extinction.

Niet iets waar je als filmmaker op zit te wachten, zo’n Razzie, zou je denken. Toch kan ook een bedroevend slechte film afleveren een manier zijn om als legende de geschiedenis in te gaan: als cultfilm met het label ‘zo slecht, dat het goed is’. Sommige slechte films bouwen zo een trouwe aanhang op van fans die de film keer op keer bekijken en fansites oprichten.

Neem Troll 2 van regisseur Claudio Fargasso. De horrorfilm uit 1990 haalde nooit de bioscoop en raakte na te zijn uitgekomen op VHS vrijwel meteen in vergetelheid. Maar via mond-tot-mondreclame werd hij zo’n vier jaar geleden ineens populair. Verklede fans stonden uren in de rij voor nachtelijke vertoningen in filmtheaters. De hoofdrolspeler van destijds, Michael Stephenson, maakte een documentaire over zijn ervaringen, getiteld Best Worst Movie, die eveneens veel succes heeft. Troll 2 was plots een culthit – niet vanwege zijn kwaliteit, maar juist door de complete afwezigheid van kwaliteit.

Abominabele films zijn voor sommige filmliefhebbers minstens zo interessant als de grote meesterwerken. Filmjournalisten schrijven boeken over de vraag wat een slechte film écht slecht maakt en evenementen als de Nacht van de Wansmaak trekken vaak volle zalen.

Wat is er zo onderhoudend aan films die eigenlijk bar slecht zijn? „Ik heb Troll 2 gezien toen die net uitkwam”, herinnert Ronald Simons van filmmuseum Eye in Amsterdam zich. Simons organiseert voor verschillende Nederlandse filmhuizen regelmatig Cinema Curioso, een avondvullende compilatie van het slechtste wat de film volgens hem te bieden heeft. „Gemiddeld zie ik zo’n 150 à 180 gruwelijk slechte films per jaar”, schat Simons. Bij Troll 2 wist hij het meteen. „Ik bestempelde hem als kleine jongen al tot de slechtste film ooit gemaakt. Twintig jaar later blijken veel mensen die mening te delen. Het lijkt dus iets universeels te zijn.”

Troll 2 heeft niets te maken met het eerdere Troll, gewoon een middelmatige horrorfilm uit 1986. Sterker nog, het woord ‘trol’ komt in Troll 2 niet voor. De film gaat over kobolds, en wel vegetarische, die mensen veranderen in planten om ze op te eten. Cultstatus heeft vooral de scène waarin een van de personages ziet hoe een tot groene smurrie veranderde vrouw wordt opgepeuzeld door een horde kabouters. Citaat: „Ze gaan haar opeten. En dan gaan ze mij opeten. O mijn God!”, met een schijnbaar eindeloos uitgerekte nadruk op de ‘o’.

De scène is op YouTube meer dan 5 miljoen keer bekeken, ruim drie keer vaker dan de fameuze I’am gonna make him an offer he can’t refuse-scène uit The Godfather (1,4 miljoen views).

„Oprecht waanzinnig slechte films zijn even zeldzaam als meesterwerken van genieën als Kurosawa, Hitchcock, Renoir, Scorsese en Spielberg”, schrijft de Australische filmrecensent Michael Adams in Showgirls, Teen Wolves and Astro Zombies. A Film Critic’s Year Long Quest to find the Worst Movie Ever Made. Hij keek een jaar lang dagelijks minstens één slechte film om erachter te komen wat nou écht de slechtste film aller tijden is, en kwam uit bij Dark Harvest 2: The Maize.

Adams legt de nadruk op het selecte groepje films dat zo slecht is, dat ze cult worden. Ze worden vertoond op Bad Movie Nights en hebben trouwe fans die niet alleen de dialogen uit hun hoofd kennen, maar ook hun eigen gebruiken hebben. Zo is het bon ton om bij The Room een aantal plastic lepels op zak te hebben, die bij bepaalde scènes enthousiast de lucht in worden geslingerd. Leuk voor de insiders, een beetje vreemd voor buitenstaanders.

In So Bad, it’s Good probeert Edward Scimia uit te leggen aan welke criteria een film moet voldoen, wil die kans maken op dat label. Naast ondermaats acteerwerk en belachelijke teksten zijn dat vaak verbazingwekkende productiefouten. Zo staat Plan 9 From Outer Space van Ed Wood bekend om de vliegende schotels aan touwtjes, scènes waarin – van shot naar shot – het afwisselend dag en nacht is en acteurs die overduidelijk voor een neppe achtergrond staan, te herkennen aan de schaduw die zij werpen op de ‘hemel’ achter hen.

Wil een film kans maken op eeuwige roem als misbaksel, dan moet hij idealiter op al die onderdelen schromelijk tekortschieten. Maar er komt nog een belangrijk aspect bij: oprechtheid. „Het moet een welgemeende poging zijn om een goede film te maken. Een echt goede slechte film kun je niet met opzet maken”, schrijft Scimio.

Makers van écht slechte films zijn volgens hem altijd „mensen met een droom, mensen met een visie die ze, hoe afgrijselijk hun visie ook is, willen delen met de wereld”. Ronald Simons is het met hem eens: „Doorgaans zijn het producties met een klein budget, gemaakt door mensen die er oprecht tijd, liefde en energie in hebben gestoken, maar die het echt niet kunnen.”

Ed Wood (1924-1978) is daar het beroemdste voorbeeld van. De inmiddels legendarische filmmaker – in 1994 vertolkt door Johnny Depp in Ed Wood – zag in ieder van zijn films een meesterwerk en ging door met films maken zelfs toen hij daardoor financieel aan de grond kwam te zitten. Of neem Tommy Wiseau, die zijn ziel en zaligheid in zijn melige overspelfilm The Room (2003) legde; niet alleen als regisseur, maar ook als schrijver, producent én hoofdrolspeler.

Een slechte film is alleen grappig, als een regisseur zijn taak serieus heeft genomen. „Om een onbedoeld grappige scène moet ik vaak harder lachen dan een humoristisch bedoelde scène in een ‘normale’ film”, vertelt Ronald Simons. Uitlachen zou hij het niet willen noemen, want hij waardeert de slechte films wel degelijk. „Slechte films zijn goed voor je”, schrijft ook Scimia stellig. „Er zijn geen goede films, zonder de slechte.”