Je bent opgesloten, broer

illustratie martien ter veen

Ik liep soms een uur lang met een fles bleekmiddel door een gang of sloot mezelf in een wc-hokje op. Ik zorgde er wel voor dat er altijd een vuilniszak in mijn achterzak zat die ik snel tevoorschijn kon halen als ik de man met de baard de gang op hoorde komen. De klussen die hij me gaf deed ik inmiddels maar half, of zelfs helemaal niet, precies zoals me geleerd was door mijn mede taakgestrafte, de jongen die nooit van zijn barkruk kwam.

„Je moet weinig doen”, zei de jongen op de binnenplaats.

„Ik doe al geen fuck”, zei ik en rookte een sigaret.

„Je bent opgesloten broer, dat is iets doen, je bent hier toch?” zei hij en wees naar de achterkant van het gebouw.

Net toen ik hem vriendelijk wilde vragen me niet continu broer te noemen, kwam de man met de baard de binnenplaats opgerend en vroeg me naar de supermarkt te gaan om boodschappen te halen voor de kantine.

„Ik ga mee, het is veel, toch chef?” vroeg de jongen. Hij griste ongevraagd de boodschappenlijst uit de hand van de man, keek ernaar en zei: „Ja het is kankerveel, ik ga mee.”

Buiten had de jongen een plan. Hoewel de Albert Heijn op drie minuten afstand zat, zouden we minimaal een uur gaan doen over de boodschappen.

„Hartstikke druk in de Appie”, grijnsde hij.

We liepen de straat uit, een hoek om, nog een straat door en stonden uiteindelijk voor een coffeeshop met de naam Freedom. Ik wees lachend naar het bord boven de deur, maar de jongen haalde zijn schouders op.

„Het is toch prachtig, dat we een taakstraf doen en dat we nu in een coffeeshop zitten die Freedom heet”, probeerde ik nog terwijl de jongen een joint rolde en van een glas thee slurpte. Maar hij zei: „Ik kom hier altijd, broer, prima coffeeshopje.”

Na anderhalf uur kwamen we het gebouw ingestormd. Bij de voordeur had de jongen een van de twee boodschappentassen uit mijn handen gegrist en op zijn schouder gezet. Puffend en steunend liep hij de gang door langs de man met de baard die met een clipboard vol nieuwe klussen op ons stond te wachten. „Jullie waren wel erg lang weg”, mompelde hij.

„Druk man, niet normaal”, zei de jongen en drukte de zak in zijn handen. „Ik ga even pauze nemen, ben kapot.”

Elke keer als ik een rookpauze nam, sjokte de hij als een hondje achter me aan en vertelde enthousiast over de roofovervalletjes die hij op zijn geweten had. Ik luisterde half naar zijn verhalen over het inslaan van winkelruiten en het leeghalen van kluizen in bejaardentehuizen en bedacht verschillende dingen: dat ik nog twee hele weken met deze jongen in zijn Canada Goose-jas opgescheept zat en dat de echte straf die ik gekregen had niet het schrobben van de tegelwandjes of het stofzuigen van de lokalen was, en ook niet het boenen van de wc’s, maar gewoonweg het wachten. Het eindeloos wachten tot het vijf uur werd en je naar huis mocht gaan.

David Pefko is schrijver. Hij voerde een 240 uur durende taakstraf uit wegens belastingontduiking en doet in tien afleveringen verslag van zijn ervaringen.