Ze kwamen uit de ijsvallei

Vanaf de jaren dertig kwamen ze naar Nederland: de Italiaanse ijsmakers. Bijna allemaal afkomstig uit één vallei in de Dolomieten. Ze brachten niet alleen ijs, maar ook Italiaanse elegantie.

Medewerkers maken reclame voor ijssalon Venezia in Utrecht, 1934
Medewerkers maken reclame voor ijssalon Venezia in Utrecht, 1934 Foto Stadsarchief Utrecht

Toen Carlo De Lorenzo drie jaar geleden besloot zijn zaak te sluiten, was dit tot ver buiten Utrecht nieuws. IJssalon Venezia is een begrip. De eerste echte Italiaanse ijssalon in Nederland, begin jaren dertig geopend. Daarom heeft het openluchtmuseum Arnhem alles overgenomen, van de buitenverlichting tot de kleine ijslepeltjes. Het Italiaanse ijs is onderdeel geworden van de Nederlandse geschiedenis.

Venezia, laatstelijk aan de Voorstraat in Utrecht, was de draaischijf waarover de meeste Italiaanse ijsmakers zijn uitgewaaierd over Nederland. Guido De Lorenzo, de vader van Carlo, haalde zijn personeel uit de directe omgeving van zijn geboortedorp Pieve di Cadore, tussen de steile, kale toppen van de Dolomieten. En al de nieuwkomers begonnen na enige tijd weer voor zichzelf, in Alkmaar of Bergen op Zoom, in Breda of Den Haag.

„Het was een kettingmigratie”, vertelt Paolo De Mas, zoon van een Italiaanse ijsmaker. „Dit was een arm gebied. De samenleving kon eigenlijk alleen blijven bestaan als de mannen een deel van het jaar ergens anders werk gingen zoeken. Als een migrant dan succes had in een vreemd land, kreeg hij navolgers, ongeacht de activiteit. Het was toen vrij eenvoudig om met beperkte middelen een ijssalon te openen, temeer daar je ook een systeem had van onderlinge kredietverlening.”

De vader van De Mas is begonnen bij De Lorenzo en heeft daarna ijssalons geopend in Nijmegen en Alkmaar. Milano, heetten ze, of alweer Venezia – de grootste stad in de buurt van de Dolomieten. „Je zag vooral namen uit Noord-Italië en nooit Napoli of zo”, zegt De Mas. „Bijna allemaal kwamen ze hier vandaan. Dit was een harde samenleving. Er is nooit een adel geweest, de mannen waren vaak weg, en de vrouwen waren gewend onafhankelijk te zijn.”

De eerste ijsmakers uit de Dolomieten trokken naar Duitsland en Oostenrijk, landen met een sterke Konditorei-cultuur. Aangespoord door hun succes begonnen anderen aan een Nederlands avontuur. Een enkeling beproefde zijn geluk in Frankrijk. Maar dat was geen succes. „De ijsbereiders zeiden dat ze om zich aan te passen aan de Franse smaak, te veel suiker erbij moesten doen”, vertelt Frank Bovenkerk, die onderzoek heeft gedaan naar deze ijsmigratie vanuit de Dolomieten naar Nederland. „De meeste ijsbereiders zeiden: dat vind ik zo smerig, dat maak ik niet.”

Langs de weg bij stadjes als Longarone, Zoldo en Valle di Cadore kom je de bordjes tegen: Valle del gelato, de ijsvallei. De overgrote meerderheid van de Italiaanse ijsmakers in Nederland en Duitsland komt hier vandaan, uit die paar vierkante kilometer in de Dolomieten. Want ijs, zo wil het verhaal, is in de dertiende eeuw door Marco Polo vanuit China naar Venetië gebracht. Daarom is ijsbereiden zo’n traditie in de ten noorden van Venetië gelegen zuidelijke valleien van de Dolomieten.

Het levert fascinerende persoonlijke geschiedenissen op, die ook aan bod komen in de onlangs verschenen nieuwe roman van de schrijver Ernest van der Kwast, De IJsmakers. „Wat mij intrigeerde in die verhalen is de verplichting die het schept naar het nageslacht. Als je weet dat je grootouders dit al deden, kun je dan daarvan loskomen? Daar gaat mijn roman over.’’

Vroeger kwamen de gelatieri bijna allemaal terug in de winter, als de ijssalons dicht gingen. Het gebied staat vol met huizen en appartementen die met hun geld zijn gebouwd. Ze waren geliefde werkgevers, want iedereen wist dat ze in het buitenland hadden geleerd op tijd te betalen. Ook de investeringen in de skiliften uit het gebied zijn vaak met ijsgeld gedaan.

Hier wemelt het dan ook van de Olandiani, zoals de Nederlandse Italianen of Italiaanse Nederlanders zich noemen. Op de jaarlijkse ijsbeurs in Longarone waren ze onlangs ruim vertegenwoordigd. Zoals Maria De Marco, een Italiaanse vrouw op leeftijd. In ouderwets precies Nederlands vertelt ze dat ze de winkel van haar vader niet heeft willen overnemen en, hoewel ze was geboren in Nederland, toen ze volwassen werd toch naar Italië wilde.

Of de familie Agnoli, van ijssalon Venezia uit Gorinchem – „al 74 jaar een begrip”. Vader Mauro, moeder en twee zoons zijn een week over, om met familie herinneringen op te halen. Of ook Mario Talamini, geboren Hagenees („Nee, geen Hagenaar”), van een ijssalon in Rijswijk („al tachtig jaar ervaring”).

Bij het begin van de ijsbeurs opende in het gemeentehuis van Longarone een expostie met familiefoto’s. „Kijk, hier sta ik”, zegt Maria Agnoli, 84 jaar, wijzend op een jeugdfoto met haar zus achter de toonbank. In 1949 kwam ze naar Nederland; haar man was toen al negen jaar weg. Na Arnhem, Dortmund en Gouda eindigde hij in Gorinchem. „Het was heel hard werken.”

Deze mensen waren in feite de ambassadeurs van Italië toen Made in Italy nog niet bestond, zegt Daniela Tasca, de samensteller van de fototentoonstelling. „Kijk naar die foto van Marinello in Den Bosch, net na de oorlog gemaakt. Ze wilden elegantie uitstralen, smaak, netheid ook.’’

De Italiaanse ijsmakers vormden een van de eerste groepen immigranten. Alle Olandiani die je in Longarone spreekt, hebben het over een geslaagde vorm van migratie, ook al hadden sommigen het moeilijk met de stereotypen van maffiose spaghettivreters die ze soms opgeplakt kregen. Sociaal geograaf Paolo De Mas, zoon van een gelatiere en nu expert op het gebied van Marokkaanse migratie, zegt hierover: „Deze immigratie is goed verlopen omdat die ijssalons en hun families eilanden waren in een zee van Hollanders. Ze zochten altijd naar de steden waar ze zich het beste konden vestigen, dus je had nooit massa’s Italianen om je heen. Je moest met Nederlandse klanten omgaan, en je zat ook bij de middenstandsvereniging.”

De Mas wil geen conclusies trekken over de huidige situatie. Hagenees Mario Talamini wel: „Voor ons was het Italiaans binnenshuis, Nederlands daarbuiten. Dat is allebei belangrijk. Als ik nu Turken Nederlands hoor spreken, vraag ik: spreken jullie je taal niet? En als ze dan zeggen dat ze moeten integreren, antwoord ik: als die kinderen naar opa en oma gaan, spreken ze hun taal niet. Maar het Nederlands is natuurlijk ook belangrijk. Ik ben zelf ook nog tolk-vertaler en ik ben er trots op dat mijn oudste nu docente Nederlands is op de universiteit van Milaan.”

Waag het niet hier in de Dolomieten mensen aan te spreken als gelataio. Dat is een ijsverkoper. Een gelatiere is de vakman, die weet hoe de verschillende ingrediënten op elkaar reageren, wat de beste temperatuur is, wat voor soorten suiker je moet gebruiken.

„IJs maken is echt een ambacht”, zegt Riccardo Talamini uit Enschede, voorzitter van de Italiaanse vereniging van IJsmakers in Nederland. „Het moeilijkste ijs? Goed vanille-ijs. Dat is roomijs met vanillestokjes. De vanille goed uit het stokje halen, verspreid over het ijs, dat is lastig. Net als smaken met alcohol: alcohol en vriezen gaat niet goed. Notensmaken zijn moeilijk omdat ze veel vet met zich meebrengen, en dan moet je gaan knoeien met de suikers. Het makkelijkste is stracciatella: de basismix roomijs met een overdosis room, en daar doe je dan stukjes chocola in.”

Van de ongeveer vierhonderd ijssalons in Nederland zijn er tachtig in handen van Italianen. Het Italiaanse ijs, zegt Talamini, onderscheidt zich door de kwaliteit van de ingrediënten, de vakkennis en ervaring van de ijsbereider, versheid. „Er zijn natuurlijk ook goede Nederlandse ijsbereiders, zoals er ook onder de Italianen wat mindere zullen zitten. Geen probleem. Nederlanders zijn aan het leren om kwaliteitsijs te eten, dat is voor ons alleen maar goed. Wat ons steekt is de benaming. Ik open toch ook geen zaak met ‘Janssen ijs’?”

Venezia in Utrecht mag dan gesloten zijn, Carlo De Lorenzo, de zoon van de man met wie het begon, vindt zichzelf nog te jong om te stoppen. Hij heeft de Italiaanse ijssalon Trio overgenomen, in Arnhem. „Ik ben niet van die familie. Maar degenen die daar in 1933 begonnen zijn, waren werknemers van mijn vader in Utrecht. Dus nu sluit zich weer een cirkel.”

Lees ook: ‘Nederlanders van het platteland wilden alleen wit ijs’