Opinie

Oud bedrog

Na overspel is matchfixing het oudste bedrog van de wereld. Het is interessant wat de sportredactie van de Volkskrant boven water heeft gehaald, maar ik keek er niet écht van op. De geruchten over omkoping in het Nederlandse betaalde voetbal gingen al langer, nu hebben we er ook een clubnaam (Willem II) en een spelersnaam (Ibrahim Kargbo) bij. Ibrahim wie? Ik was hem al compleet vergeten.

Mijn eerste kennismaking met het fenomeen matchfixing – het heette toen nog gewoon omkoping – dateert uit mijn jeugd. De kermis interesseerde me niet erg, maar ik was wel liefhebber van het zogeheten kermisboksen. Het publiek dat zich voor zo’n kermistent verzamelde, werd altijd uitgedaagd door de exploitant. Die wees op een dreigend kijkende, snuivende en gespierde man naast zich, gehuld in een badjas waarvan hij de capuchon over zijn zwetende hoofd had getrokken. Hij luisterde meestal naar een of andere exotische naam: Billy Cougar uit Texas – zoiets.

Wie wilde er met hem op de vuist?

Bijna altijd stak iemand in het publiek aarzelend zijn hand omhoog, meestal een nog gaaf uitziende, gedrongen man, ogenschijnlijk van onbesproken gedrag – wat je van Billy niet kon zeggen. Had hij voldoende bokservaring, vroeg de exploitant. Dat viel wel mee, zei de durfal terwijl hij een beetje schuw naar de biceps van Billy keek. De exploitant vroeg ons of we tegen een kleine vergoeding de heren naar binnen wilden vergezellen.

Daar kreeg de kermisbokser aanvankelijk stevig op zijn donder van de moedige burgerman, maar in de slotronde redde hij met enkele dreunende klappen toch nog zijn twijfelachtige eer. Ik genoot zozeer van dit spektakel dat ik ook de andere dagen telkens ging kijken. Daardoor begon het me op te vallen dat het steeds dezelfde burgers waren die zich lieten uitdagen. Op een dag zag ik hoe exploitant en uitgedaagde elders op het terrein vriendschappelijk een sigaretje stonden te roken. Het was alsof Sinterklaas opnieuw een oplichter bleek.

Mogelijk gescherpt door deze teleurstellende ervaring, ontwikkelde ik de jaren daarna een zekere intuïtie voor bedrog in de sport. Ik volgde een wielerzesdaagse, sprak wat insiders en merkte dat omkoping in die kringen geen uitzondering, maar regel was. Bijna even erg bleek het toe te gaan in de wegrennerij, gaf ploegleider Kees Pellenaars ooit toe, overwinningen in etappes van de Tour en in de klassiekers kócht je gewoon. Jaren later las ik dat de zwaargewichtbokser Sonny Liston zich door gangsters had laten omkopen om van Muhammad Ali te verliezen.

Gelukkig had de tennissport nog een wit, onbevlekt blazoen, troostte ik me lange tijd, totdat ook daar sprake was van gokpraktijken, de Rus Davidenko in opspraak kwam en Raemon Sluiter onthulde dat „in de kleedkamers bedragen van 25.000 euro rondzingen”.

Sindsdien ben ik alleen nog bereid van omkoping in de sport op te kijken als er écht grote namen genoemd worden. Als bijvoorbeeld zou blijken dat Roger Federer de helft van zijn Wimbledon-zeges heeft bekostigd via Zwitserse bankrekeningen, ben ik in staat om mijn hoed op te eten. En stel dat Johan Cruijff en Willem van Hanegem de WK-finale in 1974 aan de Duitsers hebben verkocht na een geheime afspraak met Franz Beckenbauer – wat moeten we dan?

Ieder moet zelf weten wat hij doet, maar voor mij persoonlijk heeft het leven dan geen zin meer.