Opinie

Hoe fantoomterreur zelf ’t grootste reële gevaar wordt

De 29-jarige Geert Mesters promoveerde tweemaal op één dag. Kan gebeuren, al gebeurt het eigenlijk nooit. ’s Morgens verdedigde hij zijn econometrische onderzoek naar ‘nonlinear panel time series models’ en ’s middags zijn criminologische onderzoek naar achtergestelde jongeren, en toen was hij klaar. Op naar de toekomst. Maar wacht. Bij de journaliste van Het Parool kwam hij er niet zo gemakkelijk van af. ‘Wie mocht denken dat Mesters een bebrilde nerd is’, schreef ze. (Dat je niet als lezer dacht dat zij zoiets zou denken. Nee, zij dacht dat jij als lezer juist zoiets dacht.) Wie dus mocht denken dat Mesters een nerd is, of erger nog, een bebrilde nerd ‘die alleen maar in de boeken zit en rekenmodelletjes in zijn computer invoert’, wie zoiets zou denken, nou, die ‘vergist zich’.

We zijn weer thuis, dacht ik. Als jonge mensen de honderd meter lopen in vijf seconden, komt niemand hen na afloop vragen of ze wel eens poëzie schrijven of onderzoek doen naar de chemische basis voor biosynthese. Maar doet iemand eindexamen op zijn dertiende, dan luidt de vraag of hij een ‘sociaal geïsoleerde übernerd’ is. En jeetje, schrikken de interviewers, hoe moet dat nou met zijn examenfeest? Drinkt hij die avond wel gewoon ‘een biertje’? Godzijdank blijkt zo iemand dan van streetdance te houden, en daarmee keert de rust weer.

Doctor Mesters was gelukkig ook zo vriendelijk het verlangen van de journaliste naar gewoonheid en bier te bevredigen. Hij droeg geen bril. Integendeel, hij bleek ‘een blonde surfliefhebber, die naar China op vakantie gaat, een prachtige vriendin heeft en een grote groep vrienden met wie hij net zo lief in lederhosen bierpullen hijst als econometrische modellen in lekentaal bespreekt’. Dit voor onze geruststelling.

Het grappigste was natuurlijk dat de krant de vooroordelen er bij ons in ramde onder het voorwendsel die vooroordelen te bevechten.

Nee, jonge gepromoveerden zijn heus niet allemaal saai en lelijk. Nee, feministen zijn heus niet allemaal gefrustreerde chagrijnen met een tuinbroek. Nee, moslims zijn heus niet allemaal terroristen. Mensen die dit soort dingen zeggen, suggereren dat ze de gedachten van de ander corrigeren, terwijl ze de zaak alleen maar erger maken. Hun geruststellende omschrijving van de uitzondering heeft als resultaat dat ze de groep radicaal stigmatiseren.

Het is de omkering die in zulke gevallen steeds weer zo fascinerend is. De aanval op het vooroordeel die zelf de bron is van het vooroordeel. De terreurbestrijding die zelf tot terreur vervalt. De criminaliteitsbestrijding die zelf de vorm aanneemt van illegale surveillance.

Fantoomterreur, noemt de Poolse historicus Adam Zamoyski het verschijnsel. Dat begreep ik althans uit een bespreking van zijn boek Phantom Terror. Na de revolutie van 1789 hielp de Franse staat de vrijheid van de burger om zeep, teneinde die vrijheid tegen terreurgroepen te beschermen. Dat is hoe de omkering werkt: je treedt op tegen het spookgevaar dat uitgaat van de ander en wordt zo zelf het grootste reële gevaar.

Het zou inderdaad grappig zijn, als het niet zo vervelend was. Vorige week las ik een interview met een meneer Henfling die besloten had op de PVV te gaan stemmen, omdat terroristen aanslagen hadden gepleegd in Parijs. Hier was duidelijk sprake van spookgevaar, want meneer Henfling was zelf well-to-do. Hij woonde in een dorp, ‘een uiterst gemoedelijk dorp’, waar hij niet geconfronteerd werd met dreiging of onverdraagzaamheid. Hij beleefde plezier aan het leven. Het grootste probleem in zijn omgeving was dat er af en toe een pauw over straat liep.

Niettemin had meneer Henfling besloten dat het zo niet langer kan. Wat niet? De islamisering van Nederland. Radicale moslims – ‘een gigaprobleem’. En dus had meneer Henfling besloten er iets aan te doen, en niet zomaar wat, nee, hij ging op Geert Wilders stemmen.

Niet omdat dat nou zo’n betrouwbaar type is. ‘Natuurlijk is Wilders een rare vent, er klopt van alles niet aan zijn persoon en zijn partij. Te veel debielen om hem heen…’

Wilders, zei meneer Henfling, moet discussie los maken. Dingen roepen waarvoor je vroeger op de brandstapel belandde. Minister-president worden moet hij niet. ‘Dat gaat mij te ver.’ En kijk, hier had je de omkering bij uitstek. Wat is het probleem? In Parijs hebben criminelen moorden gepleegd. Wat is de oplossing? Macht geven over geheel Nederland aan iemand die je voor geen cent vertrouwt.

Zo werkt de strijd tegen vooroordeel en terreur: je treedt op tegen het verre gevaar van de ander en wordt zelf het acute gevaar.

Met verkiezingen in zicht ben ik oneindig veel banger voor meneer Henfling dan voor de terroristen.