Schuifdaken en staal

Toeleveranciers redden de Nederlandse auto-industrie

Foto ANP

Niet met alle onderdelen van de Nederlandse auto-industrie gaat het slecht. Toeleveranciers aan autofabrikanten boeken de laatste jaren wel successen. De omzet in deze sector steeg van 2009 tot 2014 met 59 procent tot 9,2 miljard euro, blijkt uit cijfers van het ING Economisch Bureau die vandaag bekend worden.

Voor het eerst in jaren wordt de Nederlandse automotive-sector nu in kaart gebracht. Het gaat om bedrijven waarvan bijna niemand de naam kent en die ook moeilijk in kaart zijn te brengen, omdat ze variëren van autobanden (rubber- en kunststofleveranciers) tot aan sensoren, navigatie (elektrotechniek), autolak, dashboard (chemie) en metaal. Het zijn de ondernemingen die - al staat er uiteindelijk Volkswagen, Citroën of Ford op de auto - dingen als koplampen, verf, staal of de stoelen voor de grote autobedrijven leveren.

30.000 banen bij 300 bedrijven

De positieve cijfers werpen een ander licht op de Nederlandse auto-industrie. Daarover kwam de laatste jaren vooral slecht nieuws naar buiten: Nederlanders kopen steeds minder auto’s, grote autodealers gaan failliet, en Nederland telt nog steeds maar één bedrijf dat auto’s maakt. Nu blijkt tenminste één onderdeel het wel goed te doen.

De totale omzet van de toeleveranciers bedroeg vorig jaar 9,2 miljard euro (wereldwijd: 1.300 miljard). Ruim een miljard euro meer dan wat de Nederlandse auto- en vrachtwagenfabrikanten Nedcar en DAF samen omzetten. Er werken, zo schat branchevereniging AutomotiveNL, zo’n 30.000 tot 35.000 mensen in de Nederlandse toeleveringsindustrie. In 300 bedrijven. Zoals Inalfa Roof Systems uit Venray, dat schuifdaken maakt voor onder meer Audi, BMW en Bentley. Of het automotive-onderdeel van Tata Steel, dat staal levert aan de grote autofabrikanten.

En in tegenstelling tot Nederlandse autofabrikanten doet de toeleveringsindustrie het na een flinke dip in 2009 - “één van de zwaarst geraakte sectoren”, aldus ING - zelfs beter dan voor de crisis.

Hoe komt dat?

Volgens ING innoveren de Nederlandse bedrijven in de automotive-industrie “steeds meer mee met de autofabrikant” en zijn ze daarom sterk concurrerend. Maar wat ook een grote rol speelt, is de groei van de auto-industrie in andere landen.

Terwijl de autoverkoop hier daalt, is het grootste deel van de Nederlandse onderdelen bestemd voor het buitenland. 88 procent gaat naar buiten. Bijna de helft daar weer van naar Duitsland, met grote klanten als Volkswagen en BMW. Vorig jaar werd voor zo’n 3,6 miljard geleverd aan het land.

En in die belangrijkste exportlanden stijgt de autoverkoop juist wel.

En ook dit jaar gaat het goed in de sector, verwacht ING. De bank voorspelt 5 procent groei. Omdat de bedrijven hebben geïnvesteerd in innovatie, maar vooral doordat de export verder toeneemt. Amerikaanse autofabrikanten importeren ruim een kwart van al hun producten, 10 procent meer dan in 1995. En ook Frankrijk, Verenigd Koninkrijk en Duitsland doen dat steeds meer.

China, waar de Nederlandse bedrijven nog maar minimaal naar exporteren, zou een grote markt kunnen zijn. Dat land is nu veruit de grootste producent van personenauto’s. Toch wordt dat heel wat moeilijker. Een Nederlands bedrijf dat serieus wil groeien in Azië “zal lokaal moeten produceren”, aldus ING. Tijd om te emigreren?