Een te brave ‘Winterreise’

Schuberts Winterreise is zo klassiek dat het stuk schreeuwt om bewerking. Afgelopen jaren waren er al versies voor saxofoon, gitaar, ensemble, vrouwenstem (Nathalie Stutzmann binnenkort in het Muziekgebouw aan ’t IJ) en de radicale herschrijving van Boudewijn Tarenskeen, met Wende Snijders en Gerard Bouwhuis.

Winterreise theatraal steekt bij dat laatste project wat braafjes af. De mise-en-scène van Johan Simons was nogal letterlijk, met bariton Georg Nigl in een ouderwetse reiscape als archetypische Wanderer, die zijn weg baande door het winterwoud. Witgeschminkt trad hij de dood tegemoet.

Nigl zong uitstekend, al werd zijn intonatie tegen het einde minder precies. Hij en pianist Andreas Staier permitteerden zich veel vrijheid, wat in de theatrale context goed werkte.

Aan de korte commentaren tussen de liederen door, gecomponeerd door Mark Andre (1964), viel voor het Ensemble intercontemporain weinig eer te behalen. In een weliswaar treffend stotterend, zuchtend idioom accentueerde men slechts wat reeds bekend was: het bos, de wind, de eenzaamheid. Het leek of eerbied hier, anders dan bij Tarenskeen, een spannender visie in de weg heeft gestaan.