Als je ergens moet beginnen...

Redacteur Merlijn Kerkhof (28) laat iedere dinsdag zien wat de schoonheid van klassieke muziek is. Vandaag: de Tsjech die fabelachtige muziek schreef.

Beeld Anna Klevan

De vraag is me al zo vaak gesteld dat ik maar een soort auto-reply heb ontwikkeld. ‘Waar moet ik beginnen als ik klassieke muziek wil ontdekken?’ Ik stel me dan voor dat de vragensteller een groot zwembad voor zich ziet, met allemaal hoge duikplanken en glijbanen. Het zwembad is nog te groot om over te steken. Je zwemt nog met zwembandjes. Je wilt dat zwembad overmeesteren, maar het is ook een beetje eng.

Het eerste onderdeel van mijn standaardantwoord is dit: als de klassieke muziek een zwembad is van, zeg, 2.500 vierkante meter, dan heb ik er ook maar een klein hoekje van gezien. Om alle klassieke muziek echt te leren kennen, heb je aan één leven niet genoeg. Dus laat je door die hoeveelheid niet afschrikken.

Deel twee van mijn antwoord: begin bij Antonín Dvorák (op de r hoort eigenlijk een omgekeerd dakje – uitspraak tussen een r en een z). Een Tsjech (1841-1904) die fabelachtige muziek schreef. Het is onmogelijk dat je niet wordt gegrepen door zijn Negende symfonie, zijn pianotrio’s of zijn Celloconcert.

Nee, ik wil niet zeggen dat Dvorák het babybadje is. Zijn composities zijn niet simpel. Maar ze pakken je meteen. Zijn thema’s (muzikale zinnen die als uitgangspunt dienen voor een compositie) zijn niet abstract, wél melodieus. Dvoráks muziek zit vol lyriek. Dvorák is catchy en ontroerend tegelijk.

Een van de verklaringen daarvoor is dat hij zich bezighield met volksmuziek, waarvoor in de negentiende eeuw de interesse op gang kwam. Sommige componisten hadden zelfs de pretentie om op basis daarvan een soort nationale muziek te creëren. In Bohemen ging Bedrich Smetana (die van De Moldau) Dvorák daarin voor. Ook in de Verenigde Staten hunkerden ze naar een symfonische traditie waarin ‘hun’ volksmuziek zou worden geïntegreerd. Dus werd Dvorák himself naar New York gehaald om de nieuwe Amerikaanse muziek vorm te geven.

Daarin is hij maar amper geslaagd. Hoewel hij interesse toonde voor muziek van de indiaanse en zwarte bevolking, bleef hij toch het liefst in vertrouwde sferen. Toen hij vakantie vierde in Spillville, Iowa, binnen de Tsjechische gemeenschap, schreef hij zijn ‘Amerikaanse’ Strijkkwartet nr. 12. Hij zou er spirituals in hebben verwerkt, maar musicologen hebben nog geen overtuigende gelijkenis ontdek. Sterker, er zijn weinig stukken die zo Boheems klinken.

Dvorák was geen etnomusicoloog, zoals Bela Bartók (1881-1945) bijvoorbeeld was, een Hongaar die de melodieën die hij hoorde zo nauwkeurig mogelijk noteerde en waar nodig verwerkte in zijn stukken. Bij Dvorák kwam de ‘volksmuziek’ vooral uit zijn eigen hoofd.

Zijn eerste grote hit was zijn verzameling Slavische dansen. Hij had zich laten inspireren door Johannes Brahms, die bijna tien jaar eerder zijn succesvolle Hongaarse dansen uitbracht. Op een paar na waren dat arrangementen van bestaande dansen, die Brahms natuurlijk naar zijn smaak aanpaste.

Maar de dansen van Dvorák kwamen helemaal niet uit een kroeg om de hoek. Hij gebruikte de ritmes, de dansvormen en de accenten uit de muziek waarmee hij als zoon van een herbergier/muzikant op het platteland vertrouwd was. Je herkent de zangerigheid van de volksmuziek, maar zijn melodieën waren compleet eigen. Schitterend gewoon.