Een fucking relaxte speeltuin

illustratie Martien ter Veen

‘Je hebt fucking geluk dat je hier bent, ouwe, je had ook met een paar gasten op de snelweg kunnen staan. Dit is een fucking relaxte speeltuin, broer,” was bijna het eerste wat een Marokkaanse jongen tegen me zei toen ik me voorzichtig voorstelde. Hij was zelf op de helft van honderdnegentig uur voor naar eigen zeggen niets interessants. De jongen zat op een barkruk in de kantine van het buurtcentrum en speelde met zijn iPhone. Ernaast lag een Blackberry waar steeds berichten op binnenkwamen.

„Wat heb jij dan gedaan, broer?” vroeg de jongen toen ik de bar begon te lappen met een droog vaatdoekje.

„Ook niets interessants”, zei ik.

„Hoeveel uur, broer?”

„Twee-veertig”, zei ik.

De jongen maakte een raar klakkend geluidje met zijn tong en een gebaar met zijn hand alsof hij een akker aan het zaaien was.

Die ochtend was ik om negen uur rondgeleid door het gebouw. Het was een voormalige lagere school waar de klaslokalen tot werkplaatsen waren omgebouwd. Overal waar ik keek stonden grote bankschroeven, slijptollen en zaagmachines. Je kon er een cursus lassen volgen, leren portretschilderen, meubel maken en zelfs zeefdrukken en pottenbakken vertelde het hoofd van het centrum, een oudere man met een baard die een iets te hippe spijkerbroek droeg.

Ik moest me inschrijven als vrijwilliger. Dat was volgens de man met de baard puur voor de sfeer in het gebouw. Hij vertelde dat er nogal wat kwetsbare mensen rondliepen die zouden schrikken bij het horen van het woord ‘taakstraf’.

De hele dag schonk ik koffie voor verwarde ouderen die met schortjes vol verfvlekken aan de tafels in de kantine gingen zitten. Ik bracht zo nu en dan glaasjes water als ze zich verslikten in een tosti oude kaas en lapte continu de koffiemachine en spoelde glazen.

De Marokkaanse jongen bleef aan de bar zitten. Hij liet me filmpjes op zijn iPhone zien en benadrukte bijna onophoudelijk hoeveel geluk ik had dat ik mijn taakstraf in het buurtcentrum mocht uitvoeren.

„Morgen mag jij het hele gebouw gaan schoonmaken, broer”, zei hij, „maar dat is ook niets doen, dat is een beetje bleek in de wc gooien voor de geur.”

Ik merkte dat mijn nieuwe werkgever, de man met de baard, totaal niet lette op de Marokkaanse jongen die de hele dag niet van zijn kruk kwam. Aan mij kwam hij om de zoveel tijd doorgeven welke klussen er op me lagen te wachten.

Aan het einde van de middag sprong de jongen op van zijn barkruk en liep naar het raam. Buiten werd een oude man door een vrouw ondersteund. „Dat is Kees, Kees is mijn mattie, broer!” riep hij en sloeg een paar keer hard met zijn vuist tegen het raam.

Toen de oude man de Marokkaanse jongen zag maakte hij zich los van zijn verzorgster en hief zijn armen met moeite in de lucht, balde zijn spieren en grijnsde naar hem.

„Geweldige man, broer, alleen jammer dat hij echt niet weet waar hij is”, zei de jongen en keek weer naar het scherm van zijn iPhone.