‘Nederlanders van het platteland wilden alleen wit ijs’

‘Spaghettivreters, maffiosi, zo noemden Nederlanders ons’. Exclusief op nrc.nl: verhalen van Italiaanse ijsmakers in een vreemd land

Ook een Italiaanse ijszaak in de buurt? In de jaren dertig maakt Nederland voor het eerst kennis met Italiaanse ijssalons. De Italiaanse immigranten kwamen vrijwel allemaal uit één vallei in de Dolomieten. Ze gelden als voorbeeld van succesvolle immigratie in Nederland, schrijft NRC-correspondent Marc Leijendekker vandaag in NRC Handelsblad.

Lees exclusief op nrc.nl: de persoonlijke verhalen van Italiaanse ijsmakers in een vreemd land. ‘Spaghettivreters, maffiosi, zo noemden de Nederlanders ons.’

‘Ons interieur komt in een museum’

Veel Italiaanse ijssalons hadden namen die verwezen naar steden in Noord-Italië, want daar kwamen de ijsmakers vandaan. Venezia, de dichtstbijzijnde grote stad, was de meest gebruikte naam.

In 1928 begonnen veel Italiaanse migranten als hulpje in één winkel: de ijssalon Venezia van Guido De Lorenzo, Utrecht. Later zouden de hulpjes voor zichzelf beginnen. Guido’s zoon, Carlo De Lorenzo, is inmiddels naar Arnhem vertrokken. Hij verkocht het interieur van de ijssalon aan een museum. Carlo:

“Vier jaar geleden besloten we te stoppen met ijssalon Venezia, in Utrecht. Een paar weken later kwam er een telefoontje van de directie van openluchtmuseum uit Arnhem. Ze waren geïnteresseerd in het interieur van onze ijssalon – toch een stukje Nederlandse geschiedenis. Uiteindelijk hebben we besloten het hele interieur, vanaf de kleine oude lepeltjes tot de buitenverlichting, aan het museum te schenken. Als het goed is krijgt onze oude zaak dit voorjaar een plaatsje in het park.”

De ijssalon van Guido De Lorenzo, in 1934.

‘Nederlanders van het platteland wilden alleen wit ijs’

Ook Quirino De Mas begon als medewerker van de De Lorenzo in Utrecht. Zijn zoon Paolo besloot te gaan studeren, maar kent de verhalen nog goed.

“In die tijd was het vrij eenvoudig om met beperkte middelen een ijssalon te openen, temeer daar je ook een systeem had van onderlinge kredietverlening. Als je bij De Lorenzo begon en daarna zelfstandig wilde worden, was de oude baas wel bereid om zeg maar tweeduizend gulden als lening te verschaffen, afhankelijk van hoe betrouwbaar de persoon was. Zo werd een soort bank gecreëerd. Je ziet dat vaak bij etnisch ondernemerschap, nu ook bij Marokkanen en bij Griekse restaurants.”

Na de oorlog zocht zijn vader naar een plek om zelf een ijssalon te starten. Uiteindelijk kon hij in Alkmaar een oude fietsenstalling huren, die hij omtoverde tot ijswinkel. Paolo deed tijdens zijn werk in de ijssalon een flinke dosis mensenkennis op.

“Je leerde feilloos mensen in te schatten. De Nederlanders van het platteland wilden alleen maar wit ijs, geen kleurtjes. Hoger opgeleiden wilden het wel eens proberen als je malaga had gemaakt. Er was ook discriminatie: gaf je drie horentjes, twee wafels, dat is 5,75. Ja ja, zeiden ze dan, rekenen kunnen jullie wel. En dan antwoordde ik: ja, ik zit op het gymnasium.”

‘Op zondag mocht je in Ede niet met de ijskar rijden’

Mario Talamini en zijn vrouw voor een paar foto’s uit het familiealbum.

Mario Talamini is eigenaar van ijssalon Talamini in Rijswijk. Hij herinnert zich hoe zijn vader Giacomo in 1932 met een ijskar in Ede rondreed.

“Witte jas aan, pet op. Komt er een veldwachter en die vraagt: mag ik uw vergunning zien? Toen bleek dat je op zondag in Ede om religieuze redenen niet mocht. Dat begrepen ze niet goed, want ze kenden alleen het katholicisme. Via Tiel zijn ze in Den Haag terechtgekomen. Eerst in het Westeinde, daarna naar de Rijswijkse weg.”

‘Spaghettivreters, maffiosi, zo noemden ze ons’

Mauro Agnoli en zijn vader Antonio in de jaren zestig.

Ook Mauro Agnoli zet de familietraditie voort, in ijssalon Venezia de Agnoli in Gorkum. En hij is vol vertrouwen dat zijn twee zoons de zaak overnemen.

“Volgend jaar bestaan we 77 jaar. We hebben ons eigen recepten en procedures, en we zijn ook heel streng in de kwaliteit van de ingrediënten die we nemen. Daarmee willen we ons onderscheiden. Want het is garbage in, garbage uit. Toen ik klein was had ik veel last van alle stereotypen. Spaghettivreters, maffiosi, zo noemden ze ons. Ik ben bicultureel opgegroeid. Dus nu ben ik gewoon een Europeaan.

‘Ik heb twee keer ijs gemaakt van bloed’

Roberto Coletti met het bloedijs dat hij twee keer heeft gemaakt.

Ook voor Roberto Coletti, met een opa als ijsmaker en een familielid met voor de Tweede Wereldoorlog een ijssalon in Krakau, was ijsmaker een logische stap.

“23 jaar geleden zocht ik een avontuur, en ik vond een passie. IJsmaken is het mooiste vak van de wereld. Ik heb ijs gemaakt met parmezaanse kaas. Ik heb twee keer ijs gemaakt van bloed, een keer van een biologische koe en een keer van een varken. De echte maestro weet hoe de ingrediënten op elkaar inwerken op een bepaalde temperatuur. Iedereen kan wat water, suiker en aardbeien bij elkaar doen. Maar hoeveel suiker, hoeveel aardbeien, en waarom. Daar gaat om.”

‘Mijn vader, 75, staat nog iedere dag ijs te maken’

De voorzitter van de associatie van Italiaanse ijsmakers in Nederland is Riccardo Talamini. Zijn ijssalon zit in Enschede.

Riccardo Talamini in zijn ijssalon in Enschede.

“Vanaf het moment dat ik kon praten heb ik gezegd dat ik een ijssalon wou. Toen ik drie jaar was, hielp ik al de aardbeitjes schoonmaken. Mijn vader heeft me dat steeds uit het hoofd proberen te praten en gezegd dat ik eerst wat anders moest gaan. In de zaak komen kon altijd nog. Maar ik had een broertje dood aan studeren. Toen een personeelslid ermee stopte kwam er een plaats vrij, zo ben ik erin gerold. In 2009 vond mijn vader de tijd rijp om de zaak aan mij over te doen. Hij is dit jaar 75 geworden maar staat nog iedere dag ijs te maken.”

“Citroen heeft een kleurprobleem. Als je een citroen uitperst wordt is dat geel, maar als je het invriest wordt het wit. Dat moet je de mensen leren. Op een zaterdag kwamen ze op twaalf uur een pallet aardbeien brengen, midden in de winkel. Een klant vraagt, wat gaan jullie daarmee doen? Ik: aardbeienijs maken misschien? Vraagt die klant: O, gebruiken jullie echte aardbeien?”

Over de Nederlandse ‘concurrenten’:

“Nederland heeft ook veel goede ijsbereiders, en ook bij de Italianen zitten mindere. Wij willen niet alleen Italiaans ijs maken. Wat ons wel steekt is de benaming. Ik open ook niet met Janssen ijs. Waar gaat meneer Janssen dan wel met de naam Roma beginnen.”

“Een verschil is ook dat onze belangrijkste taak is om lekker ijs te maken, niet zozeer geld verdienen. Wij zullen geen concessies doen aan onze grondstoffen. Ik zal geen concessies doen aan mijn grondstoffen. Ik wil een ijsje verkopen waar ik achter van kan staan.”

Lessen voor integratie

De Italiaanse ijsmakers gelden als een voorbeeld van geslaagde integratie van immigranten in Nederland. Emeritus hoogleraar Frank Bovenkerk heeft hier al in de jaren tachtig onderzoek naar gedaan. Er zijn lessen te trekken uit de komst van Italiaanse ijsmakers naar Nederland, zegt hij.

“Het laat zien hoe belangrijk het ondernemerschap is. We zijn geneigd integratie te zien als een overheidsplicht. De overheid moet maatregelen nemen om blokkades voor integratie uit de weg te ruimen. Maar het verhaal van de Italiaanse ijsmakers laat zien dat de nieuwkomers dat heel goed zelf kunnen. Misschien heeft het ook te maken met dit gebied: er is een groot sociaal kapitaal, hier hebben geen feodale verhoudingen bestaan, er was geen aristocratie. Er was een traditie van hard werken en voor jezelf zorgen. In het Nederlandse integratiebeleid is in het begin totaal geen rekening gehouden met het belang van ondernemerschap.”