Wie zich schaamt wordt nooit een held

Vijf jaar lang probeerde Karl Ove Knausgård vergeefs de juiste toon te vinden voor zijn romancyclus Mijn strijd. Tot hij begon te schrijven precies zoals het was. Rauw, en mét alle schaamtevolle gebeurtenissen.

Karl Ove Knausgård was donderdag in Den Haag.
Karl Ove Knausgård was donderdag in Den Haag. Foto David van Dam

‘Iedere schrijver of journalist, elke cartoonist stuit vroeg of laat onvermijdelijk op grenzen. Grenzen die als onzichtbare muren zijn en die bepalen waar de vrijheid van meningsuiting in het geding is”, zegt Karl Ove Knausgård (Oslo, 1968). De Noorse schrijver is te gast op het internationale literatuurfestival Winternachten in Den Haag. Gisteravond hield hij in Theater aan het Spui de openingsspeech Free the Word!

Zijn openhartige, zesdelige romancyclus Min Kamp (‘Mijn strijd’) maakte hem wereldwijd beroemd. Hij werd zowel de Noorse Marcel Proust genoemd, als de Noorse Nick Cave. Beide vergelijkingen kloppen: de strijd die de jonge Knausgård voert om erkenning als schrijver loopt parallel aan zijn ervaringen als drummer in een popbandje. Ondertussen gaat Mijn strijd over veel meer, van adolescentieperikelen tot een wurgend gevecht met zijn vader die hij zelfs dood wenst.

Hoe gejaagd en rusteloos de stijl van zijn romans ook is, de schrijver neemt in de foyer van het Haagse Novotel alle tijd met toewijding en aandacht zowel zijn rede als zijn boeken toe te lichten. Ongeveer het eerst wat hij zegt, is: „Afgelopen dagen schreef ik mijn speech. Ik ben geschrokken dat de aanslag in Parijs op Charlie Hebdo zo duidelijk maakt dat het vrije woord niet bestaat of op zijn minst voortdurend wordt bedreigd. Mijn boeken hebben me in Noorwegen voor de rechter gebracht, dat is de prijs die je betaalt voor openhartigheid. Maar de Parijse cartoonisten zijn gedood.”

Wat is er gebeurd met uw boeken?

„Toen ik zo’n zes jaar geleden aan mijn romancyclus Mijn strijd begon, leefde ik in de veronderstelling dat Noorwegen een vrij land zou zijn waar boeken in vrijheid werden ontvangen, zeker fictie. Maar dat bleek ijdele hoop. Door mijn familieleden ben ik voor de rechter gedaagd, omdat ik gebeurtenissen had beschreven waar zij het niet mee eens zijn of waarin ze zich niet herkenden. Zij zagen het anders, dus was wat ik had opgeschreven fout. Dat moest hersteld worden in een latere druk, anders zou er een verbod volgen. Zover is het nooit gekomen, maar toch.”

Kunt u reconstrueren wat er mis is gegaan?

„Het eerste deel van Mijn strijd gaat over de dood van mijn vader. Hij was alcoholist. Ik laat hem aan overmatig alcoholgebruik sterven, maar volgens zijn familie en de familie van mijn stiefmoeder is een gebroken heup de doodsoorzaak. Maar die heup had wel de oorzaak in een valpartij, en die was weer het gevolg van drankzucht. Daar gaat de vete over. Nu leest een advocaat mijn boeken mee, en dat gaat er heel anders aan toe dan bij de literaire kritiek. Mijn advocaat kruist bepaalde passages aan en suggereert om die minder herkenbaar te maken. Bijvoorbeeld door een naam te veranderen of de entourage te wijzigen. Dan ben je veilig. Maar met in acht neming van alle veiligheidsoverwegingen heeft niemand een goed boek geschreven.”

Het vijfde deel heet Schrijver en gaat over uw wanhopige gevecht om erkenning. U volgt een schrijversacademie, gaat in de leer bij Noorse auteurs. Wat verwacht u van het schrijverschap? Waarom is dat het allerhoogste?

„Vrijheid. Bevrijding van mijn schaamte. Ik kom uit een cultuur van schaamte en beschaamdheid, ik ben een shame-ridden person. Mijn grootouders en ook mijn moeder waren onophoudelijk in de weer met vragen als hoe je moet leven, hoe behoor je je te gedragen? Wat kun je wel en niet zeggen of doen? Ze leefden voortdurend onder de spanning van de plichten van het individu in een sociale context. Buren, familieleden, dorpsgenoten: ze keken allemaal over je schouder mee. En oordeelden. Dat is heel Noors, die benauwdheid. In mijn geval leidde dat tot een grote schaamte, want zeker in de ogen van mijn vader deed ik alles verkeerd.

„Met het spelen in de popband van mijn broer en later met mijn droom om schrijver te worden, probeerde ik me van die beschaamdheid te bevrijden. Ik wilde heroïsch en groots leven, maar dat kon niet. Schaamte is het tegendeel van narcisme. Wie lijdt aan schaamte, zal nooit een held worden. Die twee sluiten elkaar uit.”

In Schrijver staat een jubelende passage over uzelf als twintigjarige, in staat de meest fantastische boeken te schrijven: ‘Kijk waar ik toe in staat ben!’ U schrijft zelfs dat u zo hoog stijgt, dat u onbereikbaar bent voor de gewone mensen. Heroïscher kan bijna niet.

„In mijn romanreeks onderzoek ik de spanning tussen de eenling en zijn leefgemeenschap. De balans daartussen vinden is moeilijk. Wie te eenzaam is, kan daaraan ten onder gaan. Wie te veel sociale context heeft, loopt kans zichzelf te verliezen.

„Ik wilde schrijver worden, maar ben getrouwd. We hebben kinderen. Dus er waren allerlei dagelijkse beslommeringen die de vervulling in de weg stonden. Ik heb vijf jaar vergeefs geprobeerd de juiste toon voor Mijn strijd te vinden. Totdat ik ontdekte dat ik mezelf te intelligent wilde voordoen. Dat ik wilde laten zien dat ik literatuur kon schrijven, met een hoofdletter. Die houding is de dood voor elk boek. Ik gooide alles opzij en begon te schrijven precies zoals het was, met alle schaamtevolle gebeurtenissen die voorkomen in ieders leven. Ik schreef rauw en ongepolijst, over mijn huwelijksleven, mijn vaderschap, het alcoholisme van mijn vader, het gestuntel met meisjes, de slechte gedichten die ik als jongeling schreef. Maar die grauwheid krijgt pas glans als je er ook een tegenkleur aan geeft. Dat is de heroïek, of liever: het verlangen ernaar.”

Kan een schrijver de consequenties voorzien van wat hij schrijft?

„Nee, nauwelijks. Als schrijver ben je per definitie een eenling. Je kunt niet voorspellen hoe de wereld reageert op wat jij, in afzondering, maakt. Dat het anderen pijn doet of verontwaardigt, komt bijna altijd onverwacht. Als je schrijft bestaan er geen muren, dat geeft je een gevoel van heldendom. Maar buiten het boek bestaan die muren wel degelijk, en vaak zijn ze zeer hard.”