Opinie

Waarom joden betere jodengrappen maken

Je kunt niet tegen andere groepen zeggen dat ze tegen je grappen moeten kunnen, omdat je je eigen soort toch ook belachelijk maakt, vindt Floor Rusman.

Twintig jaar geleden leerde ik een belangrijke les. Ik liep op straat met mijn beste vriendinnetje. Zij maakte lullige grappen over haar jongere zusje, dat met ons wilde spelen maar door ons werd buitengesloten. Omdat mijn vriendin zich zo grof uitliet over haar zusje maakte ik ook een gemene grap over haar, maar toen werd ze boos. Ik begreep het niet, ik deed immers niets anders dan zijzelf. Maar de vriendin zei kwaad: „Jij mag geen grappen maken over mijn zusje. Het is MIJN familie.”

Deze lang vergeten ruzie kwam naar boven toen ik las wat de paus had gezegd naar aanleiding van Charlie Hebdo: „Je mag het geloof van anderen niet beledigen. Je mag geen grappen maken over het geloof van anderen.”

Het eerste wat ik me afvroeg toen ik het las: mag je van de paus wel grappen maken over je eigen geloof? Ik weet niet wat hij daarover denkt, maar ik kan me wel voorstellen dat hij dat onderscheid maakt. Grappen of beledigende opmerkingen maken over je eigen groep – of het nu gaat om familie, religie, sekse of iets anders – is iets heel anders dan de spot drijven met een groep waartoe je niet behoort.

Een joodse vriend van me maakt graag grappen over joden, maar als ik dat doe wordt hij chagrijnig. Toen ik eens vroeg waarom hij met twee maten mat, zei hij dat alleen joden jodengrappen mogen maken. Ik vond dat eerst raar, maar later begreep ik hem wel. Sterker nog, ik meet zelf ook met twee maten. Een man die generaliserende opmerkingen maakt over vrouwen kan mij woest maken, terwijl ik het zelf ook doe. Ik vind dat ik als vrouw alle recht heb vrouwen te bekritiseren: ik weet waarover ik spreek en daarnaast kan niemand denken dat ik kwaadaardige intenties heb, ik heb het immers ook over mezelf.

Een grap van een buitenstaander zal eerder als kwetsend of vijandig worden opgevat, leidt waarschijnlijk minder snel tot zelfreflectie binnen de groep, en is (in mijn ogen) vaak ook minder grappig. Er is een groot verschil tussen de katholieke Gerard Reve die beschreef hoe hij de liefde bedreef met God in de gedaante van een ezeltje, en een atheïst die grappen maakt over geitenneukende moslims.

Hiermee bedoel ik niet dat mannen niets mogen zeggen over vrouwen, dat hetero’s geen grappen over homo’s mogen maken of dat atheïsten geen moslims mogen bespotten. Iedereen moet kunnen zeggen wat hij wil; hier verschil ik van mening met de paus. Maar wie zegt dat andere groepen tegen zijn grappen moeten kunnen omdat hij toch ook zijn eigen soort belachelijk maakt, heeft weinig begrepen van het gevoelige verschil tussen deze twee zaken.