Verlangen naar de grap

De held van Ronald Gipharts Harem is de wereldberoemde fotograaf McDonald (‘Mac’) Hope. Verteller in Harem is zijn zoon Liam, die het leven van zijn vader reconstrueert. Hij verzamelde een groep kunstenaars om zich heen en vooral een gestaag aanwassende verzameling vrouwen, waar de roman zijn titel aan ontleent. Daar blijkt waar het Giphart om te doen is in zijn serieuze literatuur: niet de samenklontering van seks en dood, maar het ontstaan van de harem.

Mac is gevallen voor de rondborstige, onberekenbare Freja, die zwanger raakt van hem, net als hij ontdekt dat Freja een ander heeft: Macs assistente Tilde. Wanneer Mac en Tilde een paar dagen weg zijn, betrappen ze Freja met de klusjesman. Daarop volgen twee mooie confrontaties. Eerst verdedigt Freja zich tegen de jaloerse verwijten. Daarop volgt de wraak van Mac en Tilde, die met elkaar naar bed gaan en door Freja worden ontdekt. Dan verwacht je dat zij tot de burgerlijkheid zal terugkeren, zal begrijpen wat ze heeft misdaan en kwaad zal worden. Die moralistische val weet Giphart knap te ontwijken. Hij laat Freja zeggen: ‘Mag ik bij jullie komen liggen?’ (En dat mag.)

Het is het hoogtepunt van de Harem, dat verder staat als een huis, maar ook lijdt aan een vorm van conventionaliteit. Giphart maakt grapjes op zijn tijd, maar heeft veel pagina’s nodig om de avonturen realistisch uit de doeken te doen: alle vijf vrouwen krijgen een eigen introductie – en dan moeten er nog verwikkelingen worden uitgewerkt. Dat wordt wat monotoon, waarbij ook de schokeffecten die Giphart gebruikt niet allemaal overtuigen. Het vakmanschap is bewonderenswaardig, maar doet je ook hevig verlangen naar iets verwarrends. Naar een grap waardoor het verhaal écht in de soep loopt. De lokroep van de ernst was luid en duidelijk – en de ernst was streng. Daarbij is iets verloren gegaan.