Sociologie moet fabels kraken

krijgt een prijs van 300.000 euro voor zijn onderzoek naar integratie en religiositeit.

„Welk boek verkoopt goed? Dat het aan kwaliteit zou liggen is een fabel”, zegt socioloog Frank van Tubergen. „Mensen zien sociale factoren over het hoofd.”
Welk boek verkoopt goed? Dat het aan kwaliteit zou liggen is een fabel”, zegt socioloog Frank van Tubergen. „Mensen zien sociale factoren over het hoofd.” Foto Robin Utrecht

Hij is één van de acht winnaars van de Ammodo Award, een nieuwe prijs die de KNAW, met geld van de Stichting Ammodo, uitlooft aan Nederlandse wetenschappers die zich hebben onderscheiden met ‘baanbrekend fundamenteel onderzoek’.

Frank van Tubergen (38), hoogleraar Theoretische en Empirische Sociologie in Utrecht, is verguld met de eer en met de drie ton die eraan vastzitten. „We besteden in Nederlandse universiteiten steeds meer tijd aan onderwijs en subsidieaanvragen. Ik ben dan ook blij dat deze prijs me in de gelegenheid stelt meer tijd te besteden aan fundamenteel onderzoek, want dat raakt anders in de knel.”

De jonge hoogleraar houdt kantoor in het Sjoerd Groenmangebouw, een met baksteen beklede kolos in de Uithof, de Utrechtse campus in de polder. Zijn loopbaan begon ooit hier, als student sociale en institutionele economie. Waarom stapte hij over naar de sociologie?

„Studenten van alle sociale wetenschappen volgden het eerste jaar samen college. We kregen een presentatie van een socioloog over de familie De Medici in het Florence van de 15de eeuw. Hij liet aan de hand van historische data zien dat die Medici’s banden hadden met andere families, door huwelijk en financiële transacties. Zij waren aanvankelijk het middelpunt van een stervormig netwerk. Als de punten van de ster met elkaar in contact wilden komen, moest dat via de Medici’s. Met archiefdata toonde de spreker aan dat er steeds meer relaties ontstonden tussen de punten, zodat de centrale machtspositie van de Medici’s wegviel. Ik vond dat fascinerend. Dat vak wilde ik studeren.”

Van Tubergens aandachtsgebied is breed: sociale ongelijkheid, integratie van migranten, religiositeit. Speelt de actualiteit een rol in die belangstelling? Van Tubergen, resoluut: „Nee, het gaat mij om fundamentele vragen. Hoe kunnen we sociale verschijnselen verklaren? Ik ben steeds op zoek naar de grote empirische puzzels.”

Een van de puzzels waarin Van Tubergen zich vastbeet, kwam voort uit de moderniseringstheorie. Die stelt dat een hoger opleidingsniveau leidt tot secularisering. „De Verenigde Staten zouden volgens de moderniseringstheorie dus heel seculier moeten zijn, maar zijn knetterreligieus. Hoe kan dat? Ik las het boek uit 2004 van de Amerikaanse politicologen Norris en Inglehart, die een verband legden tussen bestaansonzekerheid en religiositeit. Ik vroeg me af hoe ik die onzekerheidstheorie kon toetsen.”

Als stress en onzekerheid van invloed zijn op religiositeit, dacht Van Tubergen, dan zou je verwachten dat mensen die opgroeien ten tijde van extreme stress, zoals in oorlogssituaties, later in hun leven ook nog religieus zijn. Samen met de socioloog Stijn Ruiter testte hij deze hypothese met een groot internationaal onderzoek – en hij bleek te kloppen.

Van Tubergen vindt het de taak van de sociologie om fabels van feiten te onderscheiden. „Wat me in het algemeen fascineert, is het spanningsveld tussen wat wij bedenken met ons gezonde verstand over de sociale werkelijkheid en wat de socioloog ontdekt.”

Heb je voorbeelden?

„Als je mensen vraagt wat nu de grote maatschappelijke kwesties zijn, waar het slecht gaat, dan scoort integratie van migranten heel hoog. Uit onderzoek blijkt iets anders. Als je kinderen die nu opgroeien in Nederland vergelijkt met hun ouders, maken zij een enorme sprong voorwaarts. Dat zie je op de arbeidsmarkt – betere banen –en in het onderwijs. Dat zie je ook aan identificatie met de Nederlandse samenleving; relaties tussen etnische groepen, vriendschappen. Als je als wetenschapper naar integratie kijkt, meet je de afstanden tussen groepen, en die kunnen meer of minder groot zijn. De afstanden in de eerste generatie zijn groot en bij de tweede al een stuk minder. De achterstanden zijn niet weg – kinderen van de tweede generatie komen uit een heel laag opgeleid milieu – maar ze worden kleiner.”

Noem nog eens een fabel.

„Succes wordt bijna altijd toegeschreven aan iemands persoonlijke kwaliteiten. Als socioloog vraag ik me af: spelen ook verborgen sociale mechanismen een rol? Mensen denken dat als je een Van Persie of een Huntelaar wilt worden, je moet beschikken over een grote dosis talent, ambitie en doorzettingsvermogen. Toch spelen er sociale factoren mee die mensen totaal over het hoofd zien.”

Van Persie en Huntelaar zijn allebei geboren in augustus – ze schelen een week van elkaar – en dat is geen toeval. Toen ze nog bij de f-jes speelden, waren ze allebei de oudste van hun team. De peildatum was toen namelijk 1 augustus.

Van Tubergen: „Zij waren dus een jaar ouder dan hun teamgenoten, motorisch veel verder en kregen daarom meer positieve aandacht van de trainer, terwijl andere jongetjes, geboren in juli, stopten met voetballen. Twee jaar geleden heb ik gekeken naar Ajax A1, de talenten. Van de 24 selectiespelers waren er 19 geboren in de eerste helft van het jaar, vanaf januari. De peildatum is intussen namelijk verschoven naar 1 januari en die jongens waren de oudsten. Van augustus zag je niemand meer terug. Dat is het relatieve leeftijdseffect.”

De relatie tussen succes en omgeving speelt ook op de culturele markt, zegt Van Tubergen. „Welk liedje haalt de top tien, welke boeken verkopen goed? Veel mensen denken dat dit een kwestie is van kwaliteit, maar dat is echt een fabel. Neem het eerste boek van J.K. Rowling over Harry Potter. Dat is maar liefst twaalf keer door uitgevers afgewezen! De dertiende keer liet een redacteur het aan zijn dochtertje lezen en die riep: papa, ik vind het prachtig. Ok, dacht hij, laten we het een kans geven. Inmiddels zijn er in de wereld meer dan 400 miljoen exemplaren verkocht.”

Behalve geluk speelt ook positieve feedback een belangrijke rol bij succes. „Als jouw boek om wat voor redenen dan ook belandt bij de top-20, dan gaan andere mensen het ook lezen. De boekenmarkt is extreem scheef. Van 1 procent wordt alles verkocht, en de andere 99 procent moeten het met de kruimels doen.”

Sociologen deden op internet een experiment. „Ze zetten een website op waar mensen naar liedjes konden luisteren. Bij de ene website kon je vrij kiezen uit een aantal liedjes; bij de andere stond bij dezelfde nummers hoe vaak ze waren gedownload. Het klikgedrag in de groep met informatie was aanvankelijk toevallig, maar daarna gingen mensen op liedjes klikken die al vaker waren aangeklikt. Op een schaal van 1 tot 10 vielen de 1-scores – de allerslechtsten - er weliswaar uit, maar alles boven de 2 kon uiteindelijk de top halen. De invloed van onze interactie is zó sterk dat de uitkomst niet te voorspellen is.”