Opinie

De schrijver als cliniclown

De Noorse schrijver Karl Ove Knausgård beledigde iedereen die van hem hield. In zijn zesdelige romanserie Mijn strijd legt hij alles op tafel en niemand komt er goed vanaf. Zijn familie daagde hem voor de rechter.

Afgelopen donderdagavond trapte hij het internationale literatuurfestival Writers Unlimited af met een ‘Free the Word!’ speech. De bestsellerauteur was uitgenodigd door PEN, de organisatie die zich wereldwijd inzet om de vrijheid van schrijvers te beschermen. Tijdens het spreken haalde hij af en toe een hand door zijn ijzerkleurige haren. Hij droeg een grijs pak dat het wit in zijn sik zilver maakte. Perfectie bestaat alleen in banaliteiten.

Knausgård sprak over ‘onzichtbare muren’ die een schrijver moet doorbreken om iets nieuws te creëren. Hij noemde klassieker Madame Bovary als voorbeeld. In 1856 werd het boek verboden, omdat Flaubert een overspelige vrouw portretteerde. Er moet door muren en over grenzen heen geschreven worden, omdat wat wenselijk en toelaatbaar is, voortdurend verschuift. En die transitie wordt mogelijk gemaakt door mensen die zeggen en doen wat niet mag.

Omdat heldhaftig gedrag pas bestaat bij gratie van erkenning, reikten PEN en Oxfam Novib de Award for Freedom of Expression uit aan Razan al-Maghrabi uit Libië, de Soedanese Abdel Moneim Mohammed Rahamtalla en echtgenoten Zhila Bani Yaghoub en Bahman Ahmadi Amouee uit Iran. Knausgård en al-Maghrabi poseerden samen voor een foto, de ereplaat tussen hen in. De Noor stond er een beetje bedremmeld bij. Het beledigen van je familie is toch iets anders dan het beledigen van een natie.

Voor Nederlandse journalisten, schrijvers en opiniemakers met veranderingsdrang is het soms misschien jammer dat je voor moed afhankelijk bent van andermans grenzen. Onzichtbare muren moeten wel voor iemand voel- of zichtbaar zijn, anders krijg je in plaats van een strijdlustig gestrekt been bovenal een lam been.

De schrijver die alles mag schrijven kan nooit dapper zijn. Dat is de tragiek van de vrije auteur: hij heeft altijd een clownspet op. Het rood dat uit zijn pen vloeit is alleen bedoeld voor een grappenmakers neus.

Op z’n best heeft de Nederlandse schrijver de status van een cliniclown: hij biedt de zieke afleiding, maar geneest niets. Het medicijn waar de samenleving haar hoop op vestigt is de bestuurlijke maatregel. Met iedere bezuinigingsronde wordt die herzien en dat heet dan vernieuwing.

Later op de avond kwam ook de Amerikaanse tekenaar Leela Corman het podium op. Ze maakt strips. Geen satire, maar fictieverhalen. „Mensen willen vooral weten of ik ervan kan leven.” Op de inhoud wordt onverschillig gereageerd, dus daarin voelt ze zich nooit geremd: „Honestly, nobody cares.” In een samenleving waarin waarden vooral bepaald worden door winst, vormt fantasie geen bedreiging, omdat niemand buiten de verkoopschappen wil denken.

Onverschilligheid doodt misschien niet, maar het beneemt ook niemand de adem.