Opinie

Moeras van moties

‘Heb je ook zo’n zin in de campagne?” vroeg ik mijn vrouw. Het was een al te schalkse verwijzing naar een van de laatste zinnen waarmee haar partijleider gistermiddag het PvdA-congres afsloot. „Man, ik het zó’n zin in de campagne!”, riep Diederik Samsom. Het leverde hem een dankbaar applaus op, alsof de verkiezingsvictorie al naakte.

„Mwah”, zei ze.

„Mwah? Mag het een onsje méér enthousiasme zijn?”

Ze haalde haar schouders op met het soort onverschilligheid dat niet bij een solidair partijlid past. „Hij was wel een beetje hyper, als iemand die overcompenseert.” Het klonk mij nogal ontevreden in de oren.

En dat terwijl zaterdag, de eerste congresdag, ook voor haar zo veelbelovend was afgerond met een voortreffelijke speech van Lodewijk Asscher, die erbij stond als iemand die nog niet kan laten merken dat hij partijleider wil worden, maar er geen nee tegen zal zeggen „als hij ervoor gevraagd wordt”. Soepele dictie, krachtige zinnen, rustige uitstraling. Mijn vrouw is van mij op dit gebied niet zóveel gewend, dus was het niet zo vreemd dat ze zichtbaar geïmponeerd zat te kijken naar de live-uitzending op Politiek 24. Ik keek jaloersig mee, maar moest toegeven dat daar een politiek talent van formaat stond.

„Er staat meer op het spel dan peilingen”, riep Asscher aan het einde uit, „het gaat om de toekomst van het land, ik vraag strijdlust van u.” Daarvoor had hij gezegd: „Niet wegkijken en de problemen wegdromen. Niet bangmaken en haatzaaien. Maar recht erop af, en kinderen verheffen, opnemen in deze samenleving (…) Emancipatiepartij. Vrijheidspartij. Arbeidspartij. De doorbraak, dat is de Partij van de Arbeid.”

Natuurlijk, het is ook retoriek, maar zonder retoriek geen politiek – en je hebt goede retoriek en slechte retoriek.

Misschien had het beter bij die eerste congresdag kunnen blijven. Twee congresdagen is wel erg veel, zelfs voor een doorgewinterd lid van de PvdA. Die gaat op den duur tegen wil en dank toch enigszins ‘de problemen wegdromen’ als zij tot aan haar wenkbrauwen wegzakt in een moeras van ingediende en meestal verworpen moties, verdedigd of aangevallen door afgevaardigden uit Goejanverwellesluis, Knuppelerveen en Teringwoude, die niet meer te houden zijn als ze zich gedurende drie minuten het middelpunt van de aarde mogen wanen.

Maar de oorzaak van de kentering in haar humeur lag dieper. Het begon met de vanzelfsprekendheid waarmee een motie tegen de inperking van de vrije artsenkeuze werd verworpen. Jammer, want hoeveel vrijheid was er straks nog voor mensen met een matige verzekering? Nog moeilijker te verteren bleek de afgang van Ruud Koole, nog niet zo lang geleden een gewaardeerd partijvoorzitter. Hij wilde een verkiesbare plek op de kandidatenlijst van de Eerste Kamer, maar het congres gaf omwille van ‘regionale spreiding’ de voorkeur aan andere kandidaten. Tot drie keer toe werd Koole met groot verschil weggestemd. De ene na de andere afgevaardigde snelde toe om te verklaren dat Nico Schrijver, Jopie Noor en André Postema toch heus veel geschikter waren. Waarom spreiding belangrijker is dan kwaliteit wilde maar niet duidelijk worden.

„Schokkend zoals Koole bij het grofvuil werd gezet’’, zuchtte mijn vrouw.

„En Spekman die dan roept: ‘Jopie is ook van ons’.”

,,Hij weet nu wat zijn voorland is’’, zei ze.