Liever een verre vriend

Het dorp de plek waar iedereen elkaar helpt? Dat valt tegen. Een groot deel van het leven speelt zich inmiddels buiten het dorp af, blijkt uit een rapport dat vandaag verschijnt.

‘Charlie Hebdo’ is even dichtbij in Tuitjenhorn als dominee Yvonne van Bethem een potlood omhoog houdt. „Hiermee kan je cartoons tekenen die veel mensen pijn doen”, zei de dertigjarige predikant gisteren tijdens de dienst in de Rooms-Katholieke Kerk in het Noord-Hollandse dorp. „Maar je kan het ook gebruiken om iets op te bouwen. Laten we proberen van alle losse stukjes in onze gemeenschap een geheel te maken.”

Van Benthem, sinds 2012 predikant in buurdorp Dirkshorn, ziet daarin een belangrijke rol voor de kerk. En voor alle vrijwilligers die zich via de kerk inzetten voor hun dorp. Maar er is wel een probleem. „We hebben steeds meer moeite vrijwilligers te vinden”, zegt ze. „Voor kortlopende projecten valt het nog mee. Er zijn hier genoeg mensen die de jongeren willen helpen die in Moldavië een kinderopvang gaan renoveren. Maar weinigen willen voor langere tijd bijvoorbeeld lid worden van de kerkenraad.”

Het belang van lokale binding

En dat terwijl kerkelijken, net als senioren en hogeropgeleiden, zich meer inzetten voor lokale doelen dan anderen. Dat stelt het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in het rapport ‘Dichtbij huis. Lokale binding en inzet van dorpsbewoners’ (pdf) dat vandaag verscheen. Het Sociaal en Cultureel Planbureau onderzocht zevenduizend bewoners van kleine dorpen (met minder dan drieduizend inwoners).

Uit het rapport blijkt het grote belang van lokale binding voor de „doe-democratie” die de overheid nastreeft. Zonder vrijwilligers geen participatiesamenleving, dat is de conclusie. De overheid wil dat burgers meer verantwoordelijkheid nemen. En dat doe je eerder als je een sterke band hebt met de plek waar je woont.

Die burenhulp is belangrijk, ook vanwege de nieuwe Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Gemeenten gaan sinds 1 januari over veel zaken op het gebied van de gezondheidszorg. Daarbij wordt gerekend op een grotere inzet van mantelzorgers en vrijwilligers. En dan lijkt het dorp, waar iedereen elkaar kent en helpt, een betere plek om te leven dan de stad. Dat valt tegen, stelt het SCP. „Een groot deel van het leven van dorpsbewoners speelt zich af buiten het dorp”, zegt SCP-onderzoeker Lotte Vermeij. De meesten werken buiten het dorp, gaan elders naar horeca, doen boodschappen buiten het dorp. Dat raakt lokale winkeliers. En klanten die minder mobiel zijn.

Niet meer ons kent ons

Niet alleen functionele binding (werk, boodschappen) is lager dan vroeger, stelt het SCP. Dat geldt ook voor de sociale binding. „Het sociale netwerk van de meeste dorpsbewoners bevindt zich overwegend buiten het dorp”, aldus onderzoeker Vermeij. „Maar toch hebben de meeste bewoners tientallen bekenden in het dorp. Een goede buur is nog altijd beter dan een verre vriend.”

Dat geldt minder voor ouderen. Terwijl tweederde van de jongeren vrijwel dagelijks buiten het dorp komt, is dit onder deze ouderen 9 procent. Zij hebben ook weinig contact met dorpsgenoten. Volgens het SCP kent 9 procent van de senioren geen dorpsgenoten die zij hulp kunnen vragen.

Geld voor hulp is er niet, dus zijn er vrijwilligers nodig. Maar die zijn er niet veel. Zeker niet de jonge man of vrouw die een intensieve functie kan vervullen.

Bejaarden? Liever natuur

Dat illustreert een ander probleem dat het SCP beschrijft. Kerkelijken, senioren en hogeropgeleiden zetten zich weliswaar vaker dan anderen in voor hun dorp. Maar zij doen niet altijd het soort werk waar het meest behoefte aan is. Senioren kunnen (fysiek) minder hulp bieden in de zorg, hogeropgeleiden willen dat ook minder. Die houden zich liever bezig met natuur of cultureel erfgoed.

Onderzoeker Vermeij van het SCP wijst tot slot op tweeslachtig beleid van de overheid. Die wil enerzijds de lokale identiteit stimuleren om de solidariteit in een dorp te verhogen. Anderzijds wordt bezuinigd en moeten bewoners van twee dorpen lokale voorzieningen delen. Dat kan op termijn ten koste gaan van de inzet van vrijwilligers.