Ik zag mezelf als de Che Guevara van de moslims

Hij werd veroordeeld voor terrorisme en zat in de gevangenis. Nu is Yehya Kaddouri gederadicaliseerd. „De woede die ik bij me droeg gleed langzaam van mij af.”

Foto Robin Utrecht

Yehya Kaddouri (27) werd tien jaar geleden als eerste veroordeeld onder nieuwe terrorismewetgeving. Hij kreeg jeugd-tbs voor het voorbereiden van een aanslag en het bedreigen van de Tweede Kamerleden Hirsi Ali en Wilders. Maar na vier jaar gevangenis kwam hij terug van zijn idealen. Yehya Kaddouri is gederadicaliseerd, zoals dat heet.

De overheid hoopt hetzelfde te bereiken bij tientallen andere Nederlandse jihadstrijders die uit Syrië zijn teruggekeerd. De vrees dat zij hier een aanslag plegen is verder opgelopen na de aanslagen in Parijs vorige week. Nederland wil jihadisten de mogelijkheid geven een deradicaliseringstraject te volgen, waarbij ze worden begeleid op sociaal en psychologisch vlak.

Maar hoe deradicaliseer je iemand? Yehya Kaddouri over de vijf fasen die hij in zijn leven doorliep.

1. De radicalisering

„Het moment dat ik schreef dat ik Pim Fortuyn en Hirsi Ali wilde vermoorden, was ik boos. Zonder te weten wat ze precies zeiden, voelde ik me aangevallen. Ze zijn tegen de islam, ze mogen dood, punt uit.

„Ik zat op het vwo in een Zeeuws dorp met nauwelijks moslims. Via internet kom je makkelijker gelijkgestemden tegen. Ik ging schrijven op fora zoals marokko.nl en islaam.nl. 80 procent van de mensen daar vond Pim een racist. Hoe extremer je was, hoe populairder.

„Iedere dag verdiepte ik me in de wereldpolitiek. Ik zag de Golfoorlog in Irak. Ik zag Palestijnen onderdrukt worden. Ik zag Amerika zijn vetorecht in de VN gebruiken om Israël de hand boven het hoofd te houden. Ik zag het conflict in Tsjetsjenië. Ik constateerde dat moslims overal in de verdrukking zitten.

„De oplossing voor al die conflicten is het kalifaat. Dat las ik in boeken van Abdullah Azzam [grondlegger van Al-Qaeda]. Azzam legde uit dat moslims in de wereld niks te zeggen hebben, omdat het Westen er belang bij heeft moslims te onderdrukken. Als eenheid zijn moslims een gevaar voor het Westen, daarom probeert het Westen te voorkomen dat de moslims een eigen staat krijgen.

„Er waren mensen die zeiden: laat die politiek toch, je kunt er in je eentje toch niets aan doen. Maar samen met een paar jihadvriendjes hadden we het gevoel dat wij de wereld wel konden veranderen. Ik zag mezelf als vrijheidsstrijder. De Che Guevara van de moslims.

„Ik wilde een revolutie ontketenen, de politiek op zijn kop zetten. Met een aanslag op de ambassade van Israël wilde ik Nederland de consequentie laten inzien van hun pro-Israëlische standpunt. Ik hoopte dat na mijn actie meer mensen aanslagen zouden gaan plegen op Joden. Ik wilde het gaan doen, had al twee keer geprobeerd zelf een bom te maken met kunstmest bij een vriend thuis. Het had flink uit de hand kunnen lopen.”

2. De arrestatie

„Mijn arrestatie was een shock. Het was op school. Ik werd uit de klas geroepen. Toen ik op de gang stond, kwamen van alle kanten agenten op me af. Ik werd afgevoerd in een zwarte Volvo met mijn hoofd tussen mijn knieën. Aangekomen in de cel dacht ik vooral: kut voor m’n ouders. Gelukkig waren ze niet boos toen ik ze zag. Ze waren heel ondersteunend. Dit was ook niet het juiste moment om ruzie te maken.

„Ik was de enige die in jeugdgevangenis Den Hey-Acker in Breda vastzat voor een politiek georiënteerd delict. De rest zat voor vermogensdelicten. Je had Tilburgers, die deden aan kluizenkraken. Het echte geld. Daar werd tegen opgekeken. Je had grote en sterke jongens, die waren ook in het voordeel. De Marokkanen hadden als voordeel dat ze met veel zijn. Ben je zwak, dan loop je kans om gebruikt te worden. Dan pakken ze je nieuwe schoenen af. Of word je in elkaar geslagen onder de douche.

„In het begin probeerde ik de groep van mijn ideeën te overtuigen, natuurlijk. Dan zei ik dingen als: ‘Israël is de kanker van deze wereld.’ Of ik probeerde ze te laten begrijpen dat de aanslagen van 11 september 2001 een goed doel dienden. De andere jongens vonden het maar raar. Ze waren helemaal niet met politiek bezig, en ze keurden aanslagen af.”

3. De emotie

„Mijn mentor in de gevangenis zei meteen dat hij atheïst was. Daarna ging hij in discussie over mijn geloof. ‘We leven in een wereld waarin kinderen sterven, waarom laat God dat allemaal gebeuren?’ Ik dacht: wat lult hij allemaal? Dacht die man echt dat hij me zo kon overtuigen?

„De psychologe, die ik wekelijks sprak voor mijn tbs-behandeling, greep in. ‘We gaan Yehya niet op geloofsgebied veranderen’, zei ze, ‘we gaan het hebben over zijn sociale en emotionele ontwikkeling.’ Met haar sprak ik over menselijke aspecten. Geen theoretisch gezeik over de islam. De psychologe vond dat ik sociaal onderontwikkeld was omdat ik thuis nooit makkelijk over mijn gevoelens heb kunnen praten. Er was geen ruimte om te zeggen: ‘Hé pappa, het gaat niet goed met mij.’ Bij de psycholoog leerde ik mezelf uiten. We spraken over wat voor rotdag ik nou weer had, dat de lerares Frans stom tegen me deed, dat ik ruzie had met mijn ouders, of dat ik het leuk vond de dieren te verzorgen. Gesprekken over het mens-zijn. De politieke islam verdween naar de achtergrond. Het kwam ook doordat ik mij steeds meer thuis ging voelen in de groep. We voetbalden samen, we speelden monopoly. Ik werd relaxter. De woede die ik bij me droeg over onderdrukking van de moslims, gleed langzaam van mij af.”

4. De ideologie

„Het was de gevangenisimam die me ervan overtuigde dat aanslagen op burgerdoelen niet legitiem zijn. Ik dacht dat je met aanslagen de politieke besluitvorming kon veranderen. Nee, zei de imam, moslims komen door aanslagen juist nog meer onder druk te slaan. Hij wees me erop dat sinds de moord op Theo van Gogh het iedere dag in tv-programma’s over de islam ging. Ik liet me niet meteen overtuigen, daarvoor was ik te veel verblind door boosheid. Maar ik ging wel nadenken. Wat bedoelde de imam eigenlijk met zijn opmerking: ‘Joden zijn ook maar mensen’? Daar dacht ik aan wanneer ik ’s nachts wakker lag. Het waren lange nachten in de gevangenis. Je kan niet slapen. Er is een overvloed aan tijd en rust. Je bent zo lang eenzaam.

„Ik begon in te zien dat de weg die de imam volgt, veel redelijker is. Je bekijkt de wereld door je eigen bril en hoort daardoor niet wat de ander zegt. Pas als je je blik verruimt, ga je luisteren. Ik had geen radicale vriendjes meer om me heen waarmee ik me kon afzetten tegen deze klotewereld. De jongens hier waren met hele andere dingen bezig: geld. Iedereen was op zoek naar de beste manier om de meeste centjes te verdienen.

„In de gevangenis kreeg ik buiten mijn familie geen bezoek. Al mijn vrienden bleven weg. Je raakt je vertrouwen kwijt in de mensheid. Wie komt je helpen als je in nood zit? Waar zijn die broeders dan? Terwijl ik in mijn cel zit, zitten zij lekker buiten met hun familie. Altijd maar strijden voor de goede zaak, en uiteindelijk zit ik hier vast. Is dat nobel of heel triest?

„Ik wilde niks meer te maken hebben met het leed van anderen. Wat gaat mij dat aan? Amerika naait de boel, maar wie ben ik om dat te veranderen? Moet ik in mijn eentje Bush afzetten? Fuck de politiek. Ik kan beter zorgen voor mijn eigen omgeving, mijn ouders en broertje. Ik ging mezelf centraal stellen. Ik wil zelf goed worden. In een wereld waarin alles draait om geld, wil ik de beste worden. Gaandeweg ontwikkelde ik een nieuwe ideologie: die van het najagen van mijn eigen behoeften.

„Uiteindelijk bereikte ik een staat waarin ik mijn verblijf in de gevangenis had geaccepteerd. Het was rond 2007 dat ik besefte: het is goed hier. Ik tuinierde, gaf de konijnen te eten, speelde kaartspelletjes in de schuur, maakte een wandelingetje over het gras. Ik genoot van de planten, van de sterren. Dat is het hoogst haalbare in het leven, dat je van kleine dingen kunt genieten.

„Ik dacht dat het leven buiten de gevangenis nog mooier zou zijn. Daar bleek geen flikker van te kloppen. Toen ik vrij kwam en bij mijn ouders ging wonen, schrok ik van de hardheid van de buitenwereld. We kwamen net rond met 1.200 euro per maand. Maar dan kwam er een brief van de Belastingdienst. Even een paar honderd euro terugbetalen. Kwam stress van, ruzies. Fuck die shit. Ik ging het vermijden, wilde niks meer horen over geld. Ik ging vaker weg van huis.

„Ik raakte in de criminaliteit verzeild. Met een vriend uit de jeugdgevangenis beraamde ik een plan voor het stelen van een partij drugs. Wat hadden we te verliezen? De gevangenis waren we al gewend, buiten waren toch alleen maar problemen. We waagden een gokje. Hopen op een klapper. Het werd zes maanden gevangenis. Inmiddels ben ik weer vrij.

„Nu gaat het wel goed met me. Ik werk hard en verdien er veel geld mee. Wat voor werk ik doe? Laten we het erop houden dat ik handel drijf. Verder schrijf ik voor een website over de criminele wereld en werk ik aan een nieuw boek over mijn leven.” In 2011 verscheen al Lach met de duivel, over zijn deradicalisering.

5. Een nieuw leven

„Of ik een beter mens ben geworden door mijn deradicalisatie? Ik denk het niet. Je bent pas een beter mens als je vrij bent van verlangens. Dat had ik niet voor mijn gevangenisstraf, toen ik voor anderen de wereld wilde redden, maar nu ook niet, nu ik de behoeften van mijn ego najaag. Ik volg een pad waarvan ik diep van binnen weet dat het mij ongelukkig maakt. Het toppunt van perfectie was in de gevangenis, toen ik niks had en daar blij mee was.

„Ik had vrijheidsidealen, geloofde in een betere wereld. Maar ik ben mijn vertrouwen daarin kwijtgeraakt. De wereld gaat nooit beter worden. Een somber wereldbeeld, maar zo is het.

„Op een bepaalde manier geloof ik nog wel in God. Als ik kijk naar de schoonheid van de natuur en de diversiteit van het dierenrijk, dan zie ik dingen die ik zelf niet kan verklaren. Als God mijn leven zou zien, denk ik dat hij mij zou begrijpen. Hij zou zien dat ik niet meer de hele wereld wil redden, maar een manier zoek om zelf gelukkig te worden. Als ik zie dat mijn moeder lacht, als mijn vader even rust heeft, is dat voor mij het goede. Dat is mijn kleine planeetje.”