‘Duitsers ademen toneel’

Alize Zandwijk werkt gestaag aan een Duitse carrière. Ze is nu de vaste regisseur van toneelschrijver Dea Loher. Donderdag ging haar regie van ‘Gaunerstück’ in première in Berlijn.

Scène uit Gaunerstück (‘gauwdieven’) een nieuw stuk van Dea Loher. Co-productie van het Ro theater en het Deutsches Theater Berlin
Scène uit Gaunerstück (‘gauwdieven’) een nieuw stuk van Dea Loher. Co-productie van het Ro theater en het Deutsches Theater Berlin Foto Arno declair

Wonderbaarlijk, een regie van Alize Zandwijk in Duitsland, en haar fysieke, poëtische toneeltaal lijkt direct ‘Duitser’: aardser, concreter, taliger. Toch werkt Zandwijk, zegt ze, in Duitsland niet anders dan in Nederland. „Ik werk altijd vrij intuïtief; improviseren met de spelersgroep op de vloer, samen scènes bouwen. Ik leg tot op het laatst niets vast. Dat is vaak wennen voor de Duitse acteurs, die rekenen op concrete aanwijzingen: daar heen lopen, dat doen. Bij mij krijgen ze die niet. Dat leidt soms tot frustratie. Maar als ze mijn manier van werken eenmaal vatten, gaan ze er helemaal voor.” Het Duitsige aan Gaunerstück schuilt, denkt Zandwijk, eerder in dit specifieke stuk van Dea Loher, dat voor haar doen veel tekst heeft.

Gaunerstück gaat over een getroebleerde Spaans-Duitse tweeling: Maria en Jesus Maria. Vader ging ervandoor, moeder dronk, en zij liepen weg van huis. Ze hebben lullige baantjes in fruithandel en pizzarestaurant, en hangen rond bij de paria’s in hun povere appartementencomplex: travestiet-waarzegster Madame Bonafide en de uitgerangeerde acteur Porno-Otto. Dan dient zich in de vorm van juwelier Herr Wunder hoop op een beter leven aan.

Zandwijk ensceneert het geëngageerde sprookje in een strakke ruimte, waarin het turkooizen behang van de wanden bladdert. Morsige matrassen in de hoek onderstrepen de armoede, maar een wasmachine tovert kraakwit, smetteloos beddengoed te voorschijn: symbool voor hoop. Ondanks de nadruk op de zelfkant, een handelsmerk van Loher, zijn stuk en regie opvallend licht, en met de suggestie van een happy end zelfs bijna optimistisch. „Stimmungsaufhellend”, schreef de Berliner Zeitung; „Gaunerstück erfrischt und hebt das Herz.”

Donderdag was de première bij het Deutsches Theater, een van de vier belangrijke stadstheaters van Berlijn. Het is een co-productie met het Rotterdamse Ro Theater: Zandwijk regisseert, de cast bestaat uit drie Duitse en drie Nederlandse spelers: actrice Fania Sorel, danser/choreograaf Miquel de Jong en muzikant Beppe Costa. Vorig jaar maakte het Ro samen met Theater Bremen Das Leben auf der Praça Roosevelt, ook een tekst van Loher. Zandwijk, in een plaagstootje naar haar opvolger Johan Simons: „Prachtig hoor, die plannen voor internationale co-producties. Maar dat doen we dus al lang.”

Sinds 2004 maakt ze jaarlijks een productie in Duitsland. Dat begon in Hamburg, bij het Thalia Theater onder intendant Ulrich Khuon, en breidde uit naar Theater Bremen. Sinds Khuon intendant van het Deutsches Theater is, is daar nu ook Berlijn bijgekomen. Haar voorstellingen worden in Duitsland beter besproken dan de laatste jaren in Nederland, waar de ontvangst sterk wisselt. Heeft ze daar een verklaring voor? „Misschien zit het hem in de emotionaliteit. Dat intuïtieve zie je niet veel in het Duits theater. En ik heb een ander soort fantasie; poëtisch, vervreemdend, die ze hier meer waarderen.” Actrice Fania Sorel, net verlost van haar pruik, schuift aan en vult aan: „Als je tegen een Duitser ‘vervreemding’ zegt, denkt die: Ah, Brecht! Alize biedt andere, vreemde kleuren, die niet in hun boekje staan.”

Ook de Nederlandse en Duitse spelers leren van elkaar. Sorel: „Zij zijn intellectueler, wij intuïtiever. Zij leren van ons om gewoon te doen; om de emoties te laten stromen. En zij praten juist graag uitvoerig over hun rol, en het stuk, dat is voor ons weer leerzaam. Het is geweldig: zo blijf je eeuwig student.”

In Gaunerstück speelt Sorel samen met de Duitse Judith Hofmann het personage Maria. Ook Jesus Maria heeft twee vertolkers: De Jong en Hans Löw. Zandwijk onderscheidde in de tekst bij de personages nadrukkelijk ‘twee stemmen’: zakelijk versus emotioneel, rationeel naast intuïtief. Dat sluit aan bij de specifieke kracht van de spelers: Hofmann is de cynische adolescent, Sorel het hoopvolle kind, al draait Zandwijk de rollen ook wel eens om.

De regisseur werkt in het Duits, maar de acteurs spreken onderling Engels. Sorel: „Beppe en Miquel spreken geen woord Duits.” Zandwijk, lachend: „Beppe verstáát het niet eens. Ik moet alles voor hem nog eens apart uitleggen.”

Maar behalve de taalbarrière hebben ze van onoverkomelijke cultuurverschillen niets gemerkt. Al blijft het raar dat de Duitsers niet, zoals in Nederland, aan try-outs doen. Zandwijk: „De ‘Uraufführung’ is hier de eerste met publiek. Terwijl; wij zijn gewend om tijdens try-outs dingen alvast op een publiek te kunnen testen. Nu komen vooraf wel eens mensen kijken, maar die zeggen dan niks. Dat is bijgeloof. Ik heb een paar keer een ‘Voraufführung’ afgedwongen, en dat ga ik zeker vaker doen. Al is ook dat bizar: dan zit de zaal vol en is er géén applaus, niets.”

Nu merkt het Nederlandse team dus pas bij de première hoe een stuk aankomt bij het publiek, en dat is extra eng. Zandwijk: „Het applaus was gelukkig goed; de acteurs moesten zeven keer terugkomen. Ja, volgens mij is onze productie goed gevallen.”