Behandeling van onvruchtbaarheid kan eenvoudiger

Zaad direct in de baarmoeder brengen is even goed als een reageerbuisbevruchting. Toch gebeurt het weinig.

Menselijke spermacellen (blauw) proberen eeneicel (rood) te bevruchten.
Menselijke spermacellen (blauw) proberen eeneicel (rood) te bevruchten. Foto Science Photo Library

Het direct inbrengen van zaad in de baarmoeder werkt even goed als IVF, oftewel reageerbuisbevruchting. De behandelingen geven binnen een jaar een vergelijkbare kans op zwangerschap van een gezond kind – en een even lage kans op een meerling. Er is ook een verschil: het inbrengen van zaad is goedkoper en minder belastend. Dat schreven onderzoekers van het Academisch Medisch Centrum Amsterdam in het wetenschappelijke tijdschrift British Medical Journal (9 januari).

Jaarlijks melden zich in Nederland circa 20.000 stellen bij de huisarts vanwege een onvervulde kinderwens. Soms kan IVF uitkomst bieden. Daarbij halen artsen, na stimulatie van de eierstokken met hormonen, een paar rijpe eicellen uit de eierstok en bevruchten die buiten het lichaam met het zaad van de partner. Na enkele dagen plaatsen ze één embryo in de baarmoeder; de rest wordt ingevroren voor het geval de eerste poging niet lukt.

Er bestaat ook een andere behandeling: intra-uteriene inseminatie (IUI). Daarbij wordt er tijdens de eisprong ‘bewerkt’ zaad van de partner ingebracht in de baarmoeder. IUI is goedkoper en minder ingrijpend dan IVF, zegt Fulco van der Veen, hoogleraar voortplantingsgeneeskunde van het AMC en een van de hoofdauteurs van het artikel. „De vrouw krijgt weliswaar ook hormonen om rijping van de eicellen te stimuleren”, zegt hij, „maar veel minder. En ze hoeft geen eicelpunctie te ondergaan, met de bijhorende risico’s.” Daarnaast wordt er steeds meer bekend over mogelijke complicaties bij IVF-kinderen – rond de geboorte, maar ook op latere leeftijd. Ze hebben bijvoorbeeld een hoger risico op hoge bloeddruk en diabetes.

Maar toch, zo constateren Van der Veen en zijn collega’s, is IVF aan een opmars bezig. Ook onder stellen bij wie geen oorzaak van de onvruchtbaarheid is gevonden. Die trend is begonnen in de Verenigt de Staten en Groot-Brittannië, zegt de hoogleraar. Deels omdat men bang is voor meerlingen, waarbij vaker complicaties optreden. Bij IUI zou daar een verhoogd risico op bestaan. Van der Veen: „Maar ook omdat artsen aan IVF meer verdienen. Het is een industrie geworden. En patiënten zijn ongeduldig en onzeker over hun eigen vruchtbaarheid. Ze denken dat ze meteen een krachtige en agressieve behandeling nodig hebben.”

De Amsterdammers zetten een landelijke studie op – de eerste in zijn soort – om te onderzoeken of IUI werkelijk vaker meerlingen oplevert dan IVF, en welke behandeling tot meer zwangerschappen leidt.

Er deden 600 paren aan de studie mee, die willekeurig werden ingedeeld in drie groepen. De eerste onderging conventionele IVF. De tweede groep kreeg daarvan een milde vorm: bij hen werd maar één rijpe eicel weggehaald, na minimale hormoonstimulatie. En de derde groep werd behandeld met ‘gecontroleerde’ IUI. Dat wil zeggen dat de behandeling werd afgebroken als er na hormoonstimulatie teveel eicellen bleken te rijpen. De paren werden hooguit een jaar behandeld.

„IUI en beide vormen van IVF scoorden even goed”, vertelt eerste auteur Alexandra Bensdorp van het AMC. „In alle groepen werd de helft van de vrouwen binnen een jaar zwanger, waarna ze een gezond kind kregen. In circa zes procent van de gevallen ging het om een meerling.” IUI levert in andere landen vaak twee keer zoveel meerlingen op, merkt Bensdorp op. „Je kunt dat percentage dus flink terugbrengen als je strikter controleert op het aantal rijpende eicellen.”

Waarom staat IVF er dan om bekend dat het succesvoller is dan IUI? „Het succes in de eerste ronde is inderdaad hoger”, zegt Van der Veen. „Maar als je het succes van de herhaalde cycli bij elkaar optelt, scoort IUI binnen een jaar even goed. Mensen moeten iets meer geduld hebben.”

Misschien moeten ze zelfs wat vaker helemáál durven afwachten, stelt hij, zeker bij niet-verklaarde onvruchtbaarheid. „Voorlopige studies wijzen uit dat als je niets doet, 25 procent alsnog binnen een halfjaar zwanger wordt, en 75 procent binnen drie jaar. Het definitieve bewijs dat onze behandelingen zinvol zijn is nog steeds niet geleverd.”