Als cartoonisten zich beheersen is dat juist een teken van kracht

Charlie Hebdo ‘spaarde niemand’ – en dat is precies het probleem, vindt Stefan Paas.

‘Het puntje van een gouden pen, is het felste wapen dat ik ken’, zei Jacob Cats. Niet waar natuurlijk. Een pen legt het altijd af tegen een kalasjnikov. Toch stemt die metafoor wel tot nadenken. Door de gruwelijke wreedheid van de aanslagen in Parijs zouden we bijna vergeten dat er ook een ander soort wreedheid is. Zeg maar de wreedheid van een redactie die elke week gniffelend cartoons uitzoekt, met als doel mensen in hun ziel te raken.

Een pen als wapen zien, dat kan alleen in een samenleving waarin het echte geweld beteugeld is. Als knots en machinegeweer regeren, zwijgt de pen. Daarom vinden we geen cartoons in de grotten van Lascaux en daarom leeft het publiek debat in Somalië niet erg. De vrijheid van meningsuiting komt pas tot bloei als er sprake is van een geweldsmonopolie van de overheid, waardoor eigenrichting en wraak niet langer gewoon zijn. Pas als de kalasjnikovs zwijgen, spreekt de pen.

Vaak wordt over het hoofd gezien dat de vorming van zo’n sterke natie gepaard gaat met een omkering van de machtsbalans. Als de wapens van de bully’s zijn afgepakt, zijn de anderen aan de beurt: de schrijvers, sprekers, mensen zonder spierballen maar met een scherpe geest. Onder bescherming van de overheid kunnen zij nu hun gang gaan. Weliswaar heerst de illusie dat het speelveld nu gelijk is, want iedereen kan iedereen met woorden en tekeningen bestrijden. Dat is onzin: de wapens zijn beschaafder, maar de strijd is even ongelijk als voorheen.

Macht schept verantwoordelijkheid. Het is onderdeel van het stilzwijgende sociaal contract dat de machtigsten zich beheersen, dat zij niet hun volle arsenaal inzetten om de ander aan te vallen. Dat gold zelfs in antieke krijgersculturen. Het zou ook moeten gelden in moderne democratieën. Het is een teken van kracht, niet van zwakte, wanneer schrijvers en tekenaars zich beheersen.

Van dat besef was weinig te horen in de afgelopen weken. In alle toonaarden werd weer eens gemeld dat we het ‘recht’ zouden hebben om te kwetsen of blasfemisch te zijn. Alsof het kwetsen van je medemensen de essentie zou zijn van het recht op vrije meningsuiting. Nonsens natuurlijk: de mogelijkheid om anderen te kwetsen is een onvermijdelijk en betreurenswaardig gevolg van die vrijheid, niet de kern ervan. Van iemand die zich in het debat mengt, kunnen we niet verwachten dat hij of zij nooit iemand kwetst. We kunnen wel vragen dat zo iemand er serieus naar streeft om dat zoveel mogelijk te vermijden. Er zijn vrijwel altijd andere opties dan op zoek gaan naar de vernedering van je medemens.

Charlie Hebdo ‘spaarde niemand’, zegt men. Ik zou zeggen: dat is juist het probleem. John Stuart Mill zei al dat sarcasme en satire gemakkelijk wapens worden van de machtigen die de minderheden nog eens extra inwrijven hoe ridicuul hun opvattingen zijn. Te gemakkelijk wordt in het huidige klimaat vergeten dat het sarcasme van een urbane elite de consensus bevestigt, de monotonie voedt, en ongemakkelijke tegengeluiden smoort. Het is een beetje zoals indertijd H.J. Schoo zei over Nederlandse cabaretiers: allemaal zijn ze non-conformistisch, maar tot de laatste man of vrouw vinden ze Balkenende een braakmiddel en Bush een lul.

De redactie van Charlie Hebdo meldde vorige week dat ‘de strijd’ wordt voortgezet. Dat sluit aan bij de oorlogstaal die de laatste weken de ronde doet: niet wijken, nooit opgeven, doorgaan tot het bittere eind. In deze omstandigheden is dat allemaal heel begrijpelijk. Tegelijk luidt zulke taal alleen een nieuwe cyclus van vernedering en geweld in, als er geen sprake is van mededogen, inlevingsvermogen, de behoefte om ‘de boel bij elkaar te houden’. Want beschaving is, in één woord, zelfbeheersing.