Aimards toewijding leidt in Bach niet tot pregnante visie

Das wohltemperierte Klavier van J.S. Bach is een ijkpunt in de pianoliteratuur. Het is níét per se een concertwerk. Bach componeerde de 48 preludes en fuga’s uit belangstelling voor innovaties in de stemmingstechniek, die het mogelijk maakten in alle toonaarden betrekkelijk zuiver te spelen. Voorheen gold: hoe meer voortekens, hoe valser. Das wohltemperierte Klavier was bedoeld voor student en hobbyist, om zich te bekwamen in, zegge, de exotische geneugten van gis klein. Behalve deze conceptuele band (en Bachs genie) hebben de stukjes weinig gemeen, zeker geen overkoepelende spanningsboog.

Dat neemt niet weg dat ze met enige regelmaat integraal worden uitgevoerd, zoals door Pierre-Laurent Aimard. Maar net als zijn opname van het eerste boek preludes en fuga’s (2014) viel Aimards recital in de Kleine Zaal zaterdag een beetje tegen.

Aimards benadering leek te hinken op verschillende gedachten. Zijn spel was nogal hard, monochroom en nagenoeg pedaalloos, alsof hij een klavecimbel zocht. Anderzijds permitteerde hij zich aangezette romantische gestes, zoals een extreem rubato of een beethovenachtige greep in de toetsen. Soms was het schitterend (de elektrisch geladen Fuga in f klein), te vaak ontbrak differentiatie en vertelden de heldere stemmen geen overtuigend verhaal. Aimard is een weergaloze nieuwemuziekinterpreet met een fabelachtige techniek. Zijn toewijding is groot: speciaal voor dit Bach-project heeft hij een jaar vrijaf genomen, om zich helemaal te kunnen onderdompelen. Helaas heeft dat niet geleid tot een pregnante visie.