Een gepassioneerd belastingfraudeur

‘Jeetje, tweehonderdveertig uur”, fluisterde de contactpersoon van de Reclassering Nederland, afdeling werkstraffen.

„Tja”, zei ik en roerde met een roerstaafje in een bekertje koffie.

„Dat is heel veel”, zei ze.

„Best wel hè?”, zei ik zo nonchalant mogelijk, „zoiets krijg je als je iemand niet opzettelijk doodrijdt.”

De vrouw knikte en bladerde gespannen door mijn dossier, misschien op zoek naar mijn verleden als dronken automobilist of verkrachter.

„Het is niet wat u denkt”, zei ik toen ze eindelijk op de pagina kwam waar het delict omschreven werd. Ze ging met haar vinger over de tekst en glimlachte kort.

„Nee, dat zie ik”, zei ze, „de Belastingdienst, natuurlijk.”

Jaren geleden, toen ik nog geen boeken schreef, was ik een periode gepassioneerd belastingfraudeur. Ik vulde mijn belastingaangiften foutief in en gaf weinig tot geen inkomsten op. Ik regelde zo nu en dan een forse teruggave waarop ik helemaal geen recht had en vierde feest als het op mijn rekening stond.

Natuurlijk stond een paar jaar later de Fiod voor mijn deur. Mijn aangiften vertoonden volgens twee in leren jasjes gestoken Fiod-rechercheurs de typische kenmerken van klassieke belastingfraude en al zou het onderzoek langere tijd in beslag nemen – het kon volgens hen jaren gaan duren – werd mij op het hart gedrukt dat ik hier niet mee weg zou komen.

Inderdaad hoorde ik daarna jarenlang niets meer van. Mijn leven veranderde drastisch en hoewel ik het lichte vermoeden had dat ze me vergeten waren kreeg ik deze zomer, bijna acht jaar na dato, uiteindelijk een vonnis per brief: een taakstraf van tweehonderdveertig uur, of honderdtwintig dagen in de gevangenis.

De vrouw die nu tegenover me zat, was duidelijk gekalmeerd. Ze vertelde ontspannen over de verschillende mogelijkheden die er voor mij waren. Ik zou bijvoorbeeld propjes kunnen prikken aan de rand van een snelweg, in een park of bos kunnen werken, bij een kinderboerderij, in de spoelkeuken van een bejaardenhuis. Ik knikte nederig bij alles wat ze voorstelde en dacht aan de somber ogende busjes van de Reclassering die ik zo nu en dan in het Vondelpark zag staan. Op de weide, waar ik als kind speelde, waren in de middag taakstraffers in fluorescerende hesjes bladeren aan het harken; ik stelde me voor hoe ik zo’n hesje over mijn jas zou aantrekken en een hark in mijn handen gedrukt zou krijgen.

„Máár”, zei ze stellig, „er is iets wat me veel geschikter lijkt voor jou: allround vrijwilliger in een sociale werkplaats annex buurthuis annex dagopvang voor dementerende bejaarden.”

„Allround vrijwilliger, dat klinkt heel goed”, zei ik en ik ontdeed me in gedachten meteen weer van mijn fluorescerende hesje.

„Het is natuurlijk in jouw geval niet vrijwillig”, lachte de vrouw, „maar zo noemen we dat.”

„Dat maakt niet uit”, zei ik.

„Kun je meteen beginnen? Ze hebben hard mensen nodig”, vroeg ze.

Ik knikte en wees naar mezelf. „Ik zit klaar”, zei ik.