Wijkverpleger in een nieuwe rol

De wijkverpleegkundige wordt een scheidsrechter. Niet meer alleen verzorgen, maar ook strenger kijken of de patiënt al die zorg nodig heeft. Lukt dat?

Wijkverpleegkundige Renate Tuijten komt al acht jaar over de vloer bij een patiënt met de ziekte van Korsakov. De man was verslaafd aan alcohol en woonde in een psychiatrische instelling. Nu heeft hij een eigen huis, rookt hij een sigaartje, eet de boterhammen die Tuijten voor hem smeert. Het leven is wel best zo.

Dit jaar wordt voor de man met Korsakov opnieuw bepaald hoeveel zorg hij vergoed krijgt. Nu komt dagelijks zeker drie uur een wisselend team van vijf wijkverpleegkundigen over de vloer. Zij geven medicijnen, helpen met eten en zorgen voor structuur in zijn dag. De man is er trots op dat hij thuis kan wonen. Maar blijft dat zo? Tuijten: „Wij moeten straks dezelfde zorg leveren met minder geld. Ik ben bang dat deze man dan weer gaat zwerven of drinken.”

NRC Handelsblad volgt dit jaar 36 wijkverpleegkundigen en peilt hoe het nieuwe regime voor de langdurige zorg uitpakt voor hun cliënten. Want de 18.000 wijkverpleegkundigen krijgen een belangrijke rol. Zij moeten beoordelen wat de patiënt nodig heeft (medicijnen, wondverzorging, schone lakens, wasbeurten). Ze moeten de zorg geven, of organiseren via de gemeente. Ook nieuw: ze moeten familie, vrienden, vrijwilligers en buren bij de patiënt betrekken.

Krijgen hun cliënten ineens minder zorg? Zijn familieleden en vrienden (‘mantelzorgers’, in jargon) bereid bij te springen? Zijn er vrijwilligers? Wijkverpleegkundigen van welgestelde wijken in Groningen tot achterstandswijken in Eindhoven delen hun ervaringen met de krant.

Het rijk heeft de zorg voor chronische patiënten, gehandicapten en bejaarden op 1 januari goeddeels afgestoten. De AWBZ bestaat niet meer. Een kwart – de 200.000 alleroudste, allerzwakste mensen – blijft bij het Rijk onder de Wet Langdurige Zorg. De rest valt voortaan onder zijn eigen gemeente, zijn zorgverzekeraar en zijn familie. Dit zijn ongeveer 600.000 mensen. En die groep groeit door de vergrijzing.

Scheidsrechter

De ochtend van een wijkverpleegkundige begint vroeg. Lieke Winters werkt in de Eindhovense wijk Woensel-Noord en is nog voor de wekker gaat bij een demente vrouw. Ze helpt haar opstaan, wassen, aankleden en zorgt dat ze in het goede busje naar de dagbesteding gaat. Zo helpt ze zes cliënten in een ochtend. Winters werkt in een team van acht wijkverpleegkundigen, allemaal rijden ze hun eigen routes met patiënten. ’s Middags samen koffie en besprekingen. ’s Avonds weer de weg op.

De verschillen tussen patiënten zijn groot. Psychiatrische stoornissen en ouderdomskwalen, jong en oud.

Winters is een echte verpleegster. Anderen hebben bredere taken, ze lappen ook ramen en koken. Helder is: de wijkverpleegkundige is praktisch ingesteld en komt om te helpen.

Maar dat is niet meer genoeg. Nu wijkverpleegkundigen ook weer moeten bepalen hoevéél en welke zorg mensen krijgen, worden ze naast verzorger ook scheidsrechter.

Een lastige opgave, zo blijkt uit de woede die heerst over een reclamespotje van de rijksoverheid. Onder de slogan ‘Nederland verandert. De zorg verandert mee’ is op televisie te zien hoe de Surinaamse mevrouw Pietermaai niet meer voor zichzelf kan zorgen. Een wijkverpleegkundige komt in het spotje binnen en zorgt, samen met de neef van mevrouw Pietermaai, dat ze „alle hulp krijgt die ze nodig heeft”.

Dat, zeggen bijna alle wijkverpleegkundigen, is een verkeerde voorstelling van zaken. Ingrid van Rienderhoff, wijkverpleegster in Zierikzee: „Ik erger me enorm aan die spotjes. Wat willen ze nu eigenlijk zeggen? Het komt allemaal goed? Bij mevrouw Pietermaai wandelt iedereen lekker naar binnen, maar dat is straks veel minder. Dát moeten wij die mensen uitleggen.”

Voordelen

Sommige wijkverpleegkundigen zien hun aangescherpte rol wel zitten. „Het kán efficiënter”, zegt Margreet Wouda (56) van Buurtzorg in de Groningse wijk Selwerd. „Zorg afbouwen is moeilijk. Dat vergt veel gesprekken met de cliënt en de mantelzorgers. Dat zullen we de komende tijd nog beter moeten doen. Maar dat is goed.”

Het waren de afgelopen decennia steeds grotere instanties die bepaalden hoeveel zorg een patiënt thuis nodig had. Ze ontmoetten de patiënt niet maar toetsten elk ingediend verzoek aan een lange lijst regels. Nu gaat de wijkverpleegkundige dat weer zelf beoordelen, al moet ze strenger zijn dan vroeger. Want de bezuiniging van zeker tien procent moet behaald worden door minder zorg te leveren.

Grote problemen zijn er nog niet gesignaleerd de eerste weken. De zorg die mensen al kregen, is tot 1 mei gegarandeerd. Op die datum moet bekend zijn hoeveel uur elke patiënt nog krijgt. En toch is er angst bij ouderen en gehandicapten. „Komt u nog wel langs straks of moet ik alles zelf doen?” horen de wijkverpleegkundigen al.

Vermogende ouderen in de Groningse wijk Helpman soorteren al voor op die situatie. Verschillende cliënten betalen nu zelf een schoonmaakhulp. Iets noordelijker, in de Rivierenbuurt, hebben de mensen dat geld niet, en zijn ze lang niet zo sociaal vaardig. Zij doen een beroep op de was- en strijkservice die de gemeente nu tegen betaling aanbiedt. Wie daar geen geld voor heeft, moet familie inschakelen.

Spannend wordt komend jaar of er genoeg bezuinigd kan worden. Kunnen de cliënten af met minder zorg of hebben ze familie die gratis wil helpen? Sommige wijkverpleegkundigen zijn al gewend ‘het netwerk’ van cliënten te vragen om hulp. Anderen deden dat nooit eerder.

Verschillen tekenen zich inmiddels af. Want de wijkverpleegkundige komt in villawijken met marmeren vloeren, maar ook in achterstandsflatjes. Juist die armere wijken blijken een opvallend voordeel te hebben, bijvoorbeeld in Den Haag. Wijkverpleegkundige Tanja Bonefaas, die er werkt, ziet dat mensen in rijkere buurten het vervelend vinden om hun kinderen om hulp te moeten vragen. Daar tegenover staan de ‘sociale wijken’, zoals Scheveningen-dorp. Bonefaas: „Daar zeggen ze: natuurlijk doe ik dat voor mijn ouders.”