‘We maken jongeren tot dynamiet’

Veel opgepakte Belgische terreurverdachten komen uit Molenbeek. Jonge moslims hebben er amper perspectief. Ze radicaliseren op internet.

Een etmaal na de spectaculaire anti-terreuroperaties door speciale politie-eenheden in België is de sfeer gemoedelijk in de Brusselse gemeente Molenbeek. Het lawaai van helikopters, die vrijdagochtend nog tergend lang in de grijze lucht hingen, is verstomd. Rond het plein bij metrostation Graaf van Vlaanderen, net over het kanaal, drinken mannen thee en sjouwen vrouwen met loodzware boodschappentassen. Jongeren op bankjes turen op hun telefoons.

Net-over-het-kanaal – voor veel blanke Brusselaars is het synoniem met ‘het onbekende exotische’ waar ze eigenlijk nooit komen. Klein Marokko, wordt Molenbeek wel genoemd.

Eén op de twee jongeren hier, overwegend moslim, is werkloos, zegt Dirk De Block van de ultralinkse Belgische partij PVDA. Hij werkte jaren in de jeugdzorg in Molenbeek. „De boodschap van onze samenleving aan de jeugd hier is: ‘Wij hebben jou niet nodig’. Wat dat doet met die gasten? Die radicaliseren. We maken er dynamiet van.”

In Verviers liepen anti-terreuracties – gericht tegen een ‘cel’ van ex-Syriëstrijders die aanslagen voorbereidde - donderdag uit op een vuurgevecht tussen politie en verdachten, van wie twee werden gedood. In andere steden in België bleef het bij arrestaties: 13 in totaal, waarvan 9 in Molenbeek.

Dranghekken staan inmiddels opgesteld voor de ingang van het Molenbeekse politiekantoor waar zwaarbewapende agenten patrouilleren.

In Molenbeek zijn wij volgens de politiek plots allemaal „gevaarlijk en radicaal”, zegt een veertiger die zich kwaad maakt over „de bangmakerij”. Ouahabi, heet hij. „Ik ben onderwijzer. Ze noemen ons radicaal omdat we geen alcohol drinken, onze vrouwen niet bedriegen en niet naar de stembus gaan. Maar, waarom stemmen voor die politieke leugenaars?”

„De leugens” van de politiek zijn volgens Bachir M’rabet, één van Molenbeeks spilfiguren, funest gebleken voor de situatie. „Ondanks alle beloftes in scholing te investeren keldert het niveau van onderwijs hier in rap tempo”, zegt M’rabet die jongeren opvangt in integratiecentrum Foyer.

De jongeren, geboren uit Maghrebijnse ouders, „spreken Frans bij benadering, Arabisch bij benadering, maar geen enkele taal beheersen ze écht.” Kansloos dus tijdens sollicitaties, zegt M’rabet. „En omdat ze in debatten zich slecht kunnen uiten, worden ze al snel agressief.”

Internet

De nuances in koranverzen begrijpen ze niet, vreest hij. „En in de moskee zie je ze niet. Als ze radicaliseren, dan gebeurt dat op internet.”

„Je moet je proberen in te leven in hun frustraties”, zegt Montasser AlDe’emeh in het theehuis in zijn buurt. Al jaren doet hij academisch onderzoek naar de radicalisering van moslimjongeren. De maatschappij „moet ze niet”, zegt AlDe’emeh, „Zelfs bij hun ouders en grootouders stuiten ze op onbegrip. Alleen op internet voelen ze zich goed. 24 uur per dag. De hate speech op internet biedt, treurig genoeg, nog wat houvast.”

Met speciale deradicaliseringsteams probeert België teruggekeerde Syriëstrijders te begeleiden bij herintegratie. Maar volgens AlDe’emeh heeft het weinig zin. „Om een aanslag te plegen in België, zoals de jongens in Verviers van plan waren, hoef je niet in Syrië te zijn geweest. Ze communiceren met hun kompanen via Facebook waar dan een oproep klinkt: ‘Pleeg een aanslag in je land!’.”

Het scheelt, zegt AlDe’emeh, ook in de kosten voor IS. „De organisatie moet anders veel investeren in reis en verblijf van Syriëgangers. Veel goedkoper is het als jongens thuis blijven, in België of Nederland, en daar in opdracht van IS terreur zaaien.”

Tegengif vanuit de Molenbeekse moslimgemeenschap om de kandidaat-jihadisten te stoppen, is volgens AlDe’emeh een illusie. „Er zijn geen leidende figuren die verantwoordelijkheid nemen. En de imams spreken geen Frans of Nederlands. Dus gaan die jongens surfen op het web, op zoek naar de waarheid.”

Wat ze daar lezen nemen ze „kritiekloos” tot zich, zegt jeugdwerker M’rabet. „Wat we in Molenbeek nodig hebben zijn gemotiveerde onderwijzers, die jongeren weer op een goeie manier kunnen bezielen. Maar dan moet de politiek eindelijk eens met geld en middelen over de brug komen.”