Wat u schrijft, dat gaat over mij

Haar roman Kom hier dat ik u kus staat al maanden in de top 10. Op de Beecks boeken gaan over relaties. „Jezus, wat is dat een cadeau, schrijver te mogen zijn.”

Foto Imagedesk / Jonas Lampens

Griet Op de Beeck, 41 jaar, Vlaamse, schreef in drie jaar tijd twee romans, allebei bestsellers. Haar jongste boek Kom hier dat ik u kus staat al maanden in de top 10, ook in die van NRC-Handelsblad. Bij signeersessies staan er lange rijen voor haar tafeltje, mensen komen haar met tranen in de ogen bedanken voor haar werk. „Wat u schrijft, Griet, dat gaat over mij.” „U heeft woorden gegeven aan wat ik altijd zo gevoeld heb.”

De romans – de eerste heet Vele hemels boven de zevende – gaan over relaties tussen mannen en vrouwen, tussen ouders en kinderen, hoe ze elkaar kunnen kwellen en kwetsen, en vooral hoe ze daar hun leven lang last van houden, tenzij ze bereid zijn naar zichzelf te kijken – wat ze lang niet allemaal doen. Zware onderwerpen, lichtvoetig beschreven, in frivool Vlaams. Griet Op de Beeck was dramaturg en journalist, en dat zie je terug in hoe ze haar verhalen vormgeeft. Dialogen en scènes, alsof je naar een toneelstuk kijkt.

Dun en klein is ze, je zou haar bijna over het hoofd zien, zoals ze daar zit aan de grote tafel in wijnbistro Patine bij het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen. Haar idee om daar af te spreken. Maar ze drinkt koffie, geen wijn.

Ze vertelt dat ze altijd al wilde schrijven, en het pas durfde toen ze, rond haar zesendertigste, „een fantastische shrink” tegen het lijf was gelopen. Door hem leerde ze zichzelf te bevrijden van haar ‘schaamte’ en te worden wie ze ‘ten diepste’ was. „Het zijn geen therapeutische boeken die ik schrijf, dat misverstand wil ik zeker niet creëren”, zegt ze. „Je moet vooral niet schrijven over verlaten worden door de liefde op het moment dat je verlaten bent door de liefde. Je moet gewoon goede boeken schrijven. Om dat te kunnen, moet je eerst durven zeggen: ‘Ik ben Griet Op de Beeck en dit is mijn boek, ik hoop dat u het ook heel mooi vindt.’ Dat heb ik nooit gedurfd, tot ik dus lekker eens werk gemaakt heb van mezelf.”

Haar boeken zijn niet autobiografisch, zegt ze, wel heel persoonlijk, en omdat ze zoveel over gezinnen schrijft, vraag je je af uit wat voor gezin ze zelf komt.

„Vijf kinderen, ik ben de vierde”, zegt ze. „Mijn vader was wijnhandelaar, geen kleine. Hij leverde aan restaurants en grote bedrijven en zo, iemand die hield van het goede leven. Mijn moeder was huisvrouw, zoals alle vrouwen van haar generatie met een man die geld verdiende.” Ze glimlacht. „Wat willen jullie nog meer weten? We waren katholiek, ja, maar zeker niet ostentatief. Mijn vader had een hekel aan de kerk gekregen door heel lang misdienaar te moeten zijn geweest in zijn kindertijd en door alle dagen om zes uur op te moeten staan om naar de mis te gaan.”

U schaamde zich, zegt u, maar waarvoor dan?

„Ook dat moet je niet verkeerd interpreteren, want ik bedoel daarmee geenszins dat ik verlegen of schuchter of sociaal onhandig was. Ik spreek over mijn donkerste gevoelens die ik diep wegstopte, wat ik heel goed wist te camoufleren in het dagelijkse reilen en zeilen. Als je opgroeit in een context waar de liefde, de waardering en de aandacht die elk kind nodig heeft niet vanzelfsprekend waren, dan tekent je dat enorm, hè.”

Hoe dan?

„Ik was als kind het type dat eindeloos dapper probeerde te zijn, dat in haar eentje alles probeerde te redden, liefst ook nog voor anderen. Veel mensen blijven dat doen, hè. En ouders maken fouten doordat zij in hun eigen jeugd ook ouders hadden die fouten maakten, en zo gaat dat maar door, en dat is de vraag die mij interesseert: waar eindigt eigen verantwoordelijkheid en waar begint schuld.”

En dat is dan de autobiografische laag in uw werk?

„Nogmaals, ik schrijf niet autobiografisch, maar natuurlijk zijn mijn boeken, zoals die van elke schrijver, erg persoonlijk. Ik heb het over de dingen die me diep hebben verontrust en gefascineerd, die me uit de slaap hebben gehouden en me ook mateloos hebben ontroerd, ja, natuurlijk.”

Bijvoorbeeld de masochistische, egocentrische moeders die in allebei uw romans zo prominent aanwezig zijn?

„Dat is wel kort door de bocht, hè.”

Ze zwijgt even. „In het algemeen durf ik best veel te zeggen, en ik vind, als ik dit soort boeken schrijf, moet ik daar niet flauw en truttig over doen, maar ik wil niet in de krant met mensen afrekenen. Dat vind ik niet prettig en niet fijn tegenover hen. We zijn een gezin met vijf kinderen en al die vijf kinderen hebben een andere perceptie van onze jeugd.” Ze zwijgt weer even. „Tegelijkertijd, dat je bepaalde dingen uit je systeem geschreven moet krijgen, ja, ik denk wel dat het zo werkt. Ik heb geen ouders gehad die in staat waren om de juiste ruimte te geven aan hun kinderen. Nee, dat hebben ze echt niet gekund.”

Leven uw ouders nog?

„Mijn moeder wel. Mijn vader is gestorven net voordat mijn debuut uitkwam. Ik heb hem er nog wel delen uit voorgelezen. Hij leek trots.”

Zou u meer durven als ze beiden overleden waren?

Ze geeft geen direct antwoord, maar zegt: „Ik heb een enorme hekel – en ik heb dat ook opgeschreven in boek twee – aan het woord disfunctionele families, omdat net de meest disfunctionele families ongelooflijk functioneel zijn, in die zin dat iedereen keurig blijft meedraaien in het systeem en dat iedereen bang is dat eentje eruit stapt.”

U bent uit het systeem gestapt?

„Ja.”

In Op de Beecks laatste boek Kom hier dat ik u kus vertelt hoofdpersoon Mona in drie levensfases – als zesjarige, vierentwintigjarige en vijfendertigjarige – over haar leven en de verhoudingen in haar familie. Mona’s moeder overlijdt al jong en wordt snel vervangen door Marie, de nieuwe vrouw van haar vader. Het huwelijk wordt een bittere teleurstelling. Mona voelt het als haar taak om altijd lief te zijn voor Marie, haar altijd gerust te stellen, om haar niet nog ongelukkiger te maken.

In Vele hemels boven de zevende vertellen vijf hoofdpersonages over zichzelf en elkaar, en laten daarmee hun verstoorde positie zien ten opzichte van elkaar, soms zo verstoord dat een van de personages er alleen maar aan denkt te kunnen ontsnappen door zelfmoord te plegen. Laatst, zegt Griet Op de Beeck, kwam er na een lezing een vrouw naar haar toe die ook plannen had om zelfmoord te plegen. „Ze zei, ik moet u bedanken dat ik nog leef. Na het lezen van mijn boeken had ze besloten hulp te gaan zoeken. Goed, dat is dan een extreem voorbeeld. Ik heb altijd gedacht dat kunst niet de wereld kan redden, maar wel af en toe een mens. En dat blijkt verdomme nog waar te zijn ook.”

U gelooft dat mensen wezenlijk te veranderen zijn?

„Enorm.”

Is dat sinds u naar die psychiater ging?

„Ik ben er het levende bewijs van. Ik bedoel, ik had hier niet met jullie gezeten als de mens niet maakbaar was geweest, zo simpel is het. Maar je moet wel echt willen en durven veranderen. Je krijgt dat niet zo even cadeau. Nee, als je probeert je te ontworstelen aan bepaalde patronen die je al heel je leven bepalen, dan vraagt dat wel wat van je.”

Maar kijken we juist niet te veel naar onszelf en onze al dan niet vermeende problemen?

„Ik snap heel goed wat jullie zeggen, jullie hebben het over de drang naar zelfverwerkelijking. Allemaal naar yoga en mindfulness en de kinderen die ook nog eens alle kansen moeten krijgen. Ik zal nooit zeggen: je moet streven naar geluk, want wat is geluk? Er wordt eeuwig gezocht naar geluk om maar de moeilijke, pijnlijke momenten niet te laten bestaan. Ik heb ten diepste durven voelen en mijzelf afgevraagd waarin ik mezelf belemmer.”

Waarin belemmerde u zichzelf?

„Door niet te durven weten wat ik waard was. Door te denken dat ik mijn bestaansrecht voortdurend moest verdienen, door dienstbaar te zijn. Door te zijn wie anderen wilden dat ik was.”

Wat is daar slecht aan?

„Het is slecht als het vertrekt vanuit de foute motivatie. Als je het doet vanuit een tekort van jezelf. Als het over relaties gaat, dan ben ik ervan overtuigd dat mensen vaak voor elkaar kiezen vanuit bepaalde kwetsuren. Stel, ik ben heel onzeker over mijn uiterlijk, dan ga ik een man zoeken die vier keer op een dag zegt, nee schat, je gat is niet te dik in die rok. Als de kwetsuur heel diep zit, ga ik een man zoeken die ondanks dat hij dat zegt, mij toch het gevoel geeft dat het allemaal niet goed genoeg is. En dat in eindeloos veel complexere varianten. Als je zo tegenover elkaar gaat staan, ieder met zijn issues en zijn daaruit voortvloeiende behoeften, hoe groot is dan de kans dat het goed in elkaar schuift? Ongeveer nul. De kunst is om je eigen gat oké te vinden in die rok. Het moet gaan over elkaar graag zien. En als je dan iemand ontmoet met wie je genoeg dingen deelt en naar wie je met generositeit kan kijken, en als je mekaar wilt helpen om de beste versie van uzelf te worden, dan is dat zo mooi. Ik geloof daar heel erg in en ik zie het om me heen gebeuren. Maar het gebeurt niet zomaar.”

Wat was destijds de reden om naar de psychiater te gaan?

„O, dat was zo gezegd niet voor mezelf, zo gaat het vaak, hè. Ik kende toen iemand die dreigde er een eind aan te maken, aan zijn leven. Ik heb daar een goed uur gezeten en die man zei me daar toch intelligente dingen, jezus, fucking hell. Aan het eind van het gesprek zei hij: als ik dat allemaal zo hoor valt er over dat leven van jou ook wel het een en ander te zeggen en moest je goesting hebben, dan mag je altijd terugkomen. Ik heb daar en dan ineens tien afspraken vastgelegd.”

Waar gingen die gesprekken vervolgens over?

Voorzichtig: „Er werden vingers op contexten gelegd, er werden relaties geduid, en weet ik wat allemaal, met zo’n scherpte, en zoveel luciditeit, en zoveel hoop ook, al vind ik hoop ook een ongemakkelijk woord. Nee, ik ga niet mijn therapiesessies na zitten vertellen, daar gaat het ook niet om. Het was iemand die op een ongelooflijk intelligente manier zijn diepfilosofische overtuigingen had, en die goed was in therapeut zijn.”

En sindsdien bent u schrijver?

„Ik was het altijd al, denk ik. En ik heb geleerd het echt te durven worden. En ik ben het zo graag! Jezus, wat is dat een cadeau, van dat te mogen zijn.”

De invloed van de gesprekken op het gezin waar u uitkomt was ook groot – u bent eruit gestapt.

„Zo’n therapie verandert fundamenteel de gezinsstructuur. Er hoeft er maar eentje te stoppen en te zeggen: ik doe niet meer mee, en alle kaarten gaan eh... Ik ben heel bang geweest dat het pijn zou doen, maar ik besefte dat ik niet voor hen kon blijven zorgen, net zo min als zij voor mij. Je denkt dat je iets in stand houdt dat goed is, maar je houdt alleen maar iets in stand dat heel erg niet goed is, voor niemand.”

En uw moeder, ziet u haar nog?

Ze zegt dat ze het een ongepaste vraag vindt. Ze zou willen dat die niet gesteld was en wendt haar gezicht af.

Heeft u overwogen om zonder de omweg van de fictie te schrijven over het gezin waar u uit komt?

„Daar heb ik geen enkele behoefte aan. Ik wil niet de chroniqueur zijn van de letterlijkheid, dat vind ik saai. Ik kan nu schrijvend de vaders uitvinden die ik misschien had willen hebben, dat is zoveel leuker dan je eigen vader beschrijven. Ik kan bepaalde aspecten van mijn moeder gebruiken om een personage neer te zetten dat duizend keer spannender en intrigerender is dan echte moeders ooit kunnen zijn.”

Griet Op de Beeck vertelt over een gesprek dat ze een keer had met de Amerikaan Jonathan Franzen, de succesvolle schrijver van onder andere The Corrections en Freedom. „Ik zei tegen hem, uw eerste twee romans hebben amper iets gedaan en opeens schrijft u een monsterhit, waarin zit het verschil? Hij zei dat het kwam doordat hij zich niet meer schaamde, hij schreef nu op wat hij wilde opschrijven. Dat heeft vooraan in mijn kop gezeten op het moment dat ik aan mijn debuut begon. Je moet heel erg ver durven gaan. Het heeft niets met anekdotiek te maken en alles met eerlijkheid, of zo. Ik wil alleen schrijven als het dringend is, als het moet.”