Visionaire zoektochten naar verre, oneindige werelden

Op de vroege morgen van 17 februari 1600 ging Giordano Bruno op de Campo de’ Fiori in Rome in vlammen op. Ook na zeven jaar gevangenschap en folteringen door de Inquisitie, had hij geen afstand van zijn ideeën gedaan. Zoals de idee dat er ‘een veelheid aan oneindige werelden bestaat’. Ofwel: dat de sterren die als stipjes aan de hemel staan, in werkelijkheid zonnen zijn waar omheen, net als rond de zon, planeten draaien.

Nog altijd geldt Bruno als voorvechter van het vrije woord en martelaar voor de wetenschap. Toch vormden zijn ideeën over planeten maar een klein deel van de aanklacht, schrijft sterrenkundige Lucas Ellerbroek in Planetenjagers. Bruno’s opruiende karakter zat hem minstens evenveel in de weg. Zoals zijn gewoonte om iedereen die hij kortzichtig vond een ezel te noemen. Of de bonje die hij maakte met zijn werkgevers – vaak edellieden – en zijn gastheren aan deftige universiteiten.

Verhalen kun je op vele manieren vertellen, maakt Ellerbroek duidelijk. En even genuanceerd is hij in het verdere verhaal van de planetenjagers.

Lange tijd waren dat dromers en visionairs. De sterren stonden te ver weg om de kleine, donkere planeten die hen vergezellen, te kunnen waarnemen. Dat had Bruno al opgemerkt.

Een andere visionair, de briljante Nederlandse Christiaan Huygens, borduurde in Kosmotheoros (1698) verder op het gedachtegoed van Bruno – bij hem: ‘Jordaan Bruins’. Op de verre planeten zouden ‘Aardgewassen’ en ‘Dieren’ kunnen leven die heel anders waren dan die op aarde, schreef de al oude Huygens. Allicht zelfs een Dier ‘heel anders van Maaksel als een Mensch’, maar met ‘Reden en Spraak begaafd’.

Veel later, in 1977, zetten biografen Jan en Annie Romein die Kosmotheoros weg als misschien een product van ‘ouderdomsverschijnselen.’ Hun misprijzen past bij die tijd waarin de jacht op verre planeten en buitenaards leven door onterechte claims in een kwade reuk was komen te staan.

Slechts enkelen durfden de zoektocht ijzerenheinig, en met beperkte middelen, voort te zetten. ‘Collega’s verslikten zich in hun broodje of begonnen over honkbaluitslagen te praten als je vertelde dat je naar planeten op zoek was’, herinnert bijvoorbeeld Geoffrey Marcy zich. Maar: verre planeten waren er wel. In oktober 1995 bevestigde Marcy met een onafhankelijke meting de eerste waarneming van een ervan, bij de ster Pegasus 51, door de Zwitsers Michel Mayor en Didier Queloz.

Ellerbroek beschrijft de ontdekkingstocht met enthousiaste vaart en vertelt hoe het planetenonderzoek vervolgens sexy werd. Nu smokkelen onderzoekers maar al te graag het woord ‘planeet’ in hun artikelen en onderzoeksvoorstellen. Nieuwe ‘exoplaneten’ – er zijn er 1.500 ontdekt waaronder enkelen met ‘aardse’ trekken – halen geregeld de voorpagina’s van kranten.

Wie nóg meer wil lezen daarover, kan terecht in Vijf miljard jaar eenzaamheid van de Amerikaanse wetenschapsjournalist Lee Billings. Veel van de personages uit Ellerbroeks boek – schuchter, ijdel, veelzijdig of juist monomaan – duiken ook bij Billings op. Maar de accenten liggen anders: meer op Amerikaanse projecten en meer op het ontstaan van het leven én, wat zorgelijk, op klimaatverandering.

Dat laatste komt mede doordat de twee auteurs van mening verschillen over de drijfveren van planetenjagers. Het onontdekte oefent een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit, denkt de ‘romantische Europeaan’ Ellerbroek.

We moeten een brug naar de sterren bouwen, voor als de aarde onbewoonbaar wordt, vindt de ‘pragmatische Amerikaan’ Billings.

Oók het grote verhaal van planetenjagers kan op veel wijzen worden verteld.