Vergeten conflict

Over elk onderwerp – hoe klein ook – is oneindig veel te vertellen. Lex Boon koos ooit voor de ananas en neemt ons mee zijn wereld in. Deze week: Bangladesh.

In een strook om de wereld van zo’n drieduizend kilometer ten noorden en ten zuiden van de evenaar groeit de ananas het best. En daar vind je niet altijd de stabielste landen. Over veel van de problemen die zich in die gigantische ananaszone afspelen, hoor je regelmatig iets, maar er zijn ook blinde vlekken.

Zo stuitte ik via de ananas op een al decennia voortslepend maar vergeten conflict in de Chittagong Hill Tracts, het heuvelachtige gebied in het zuidoosten van Bangladesh. De meest recente verhalen in de Nederlandse pers over dit gebied dateren van eind jaren negentig. ‘Rebellen Bangladesh leggen wapens neer’, kopten de kranten toen, nadat er een vredesakkoord was gesloten.

Maar dat betekent niet dat het er sindsdien rustig is geweest. Allesbehalve.

Via de site van The Daily Star, een Bengaalse krant, stuitte ik op een foto van een inheemse bewoner, die tussen de resten van zijn afgebrande huis staat. Het slachtoffer van een wraakactie van Bengaalse kolonisten, die boos waren omdat er weer een van hun ananasplantages was vernietigd door groeperingen die zich nooit hebben willen neerleggen bij het vredesakkoord uit 1997.

„Dat is hier de praktijk van alledag”, vertelde Ellen Bal, antropologe aan de VU, me via Skype vanuit het conflictgebied. Ze is bezig met onderzoek naar de etnische spanningen, die een lange geschiedenis hebben.

In het kort: Bangladesh ontstond in 1971, na een bloedige onafhankelijkheidstrijd met Pakistan. Boeddhistische minderheden dachten dat hun positie nu ook sterk zou verbeteren. Maar al gauw werd duidelijk dat geen plaats was voor etnische of culturele diversiteit. Daarop pakten de minderheden de wapens op, om te vechten tegen de Bengaalse staat. Die vocht terug met een kolonisatieproject: meer dan 400.000 arme Bengalen werden geronseld en als kolonist naar het heuvelgebied gebracht. Daar kregen ze de grond van de minderheden toegewezen. Hoop gedoe en narigheid, dat in 1997 op papier werd opgelost met een vredesakkoord. Daarin stonden drie belangrijke punten: het ingenomen land zou worden teruggeven, er zou een vorm van semi-autonoom lokaal bestuur komen en het leger zou zich terugtrekken. Dat gebeurde nooit.

„De overheid heeft dat hele vredesakkoord nooit in praktijk gebracht”, zegt Ellen Bal. „Een derde van het leger zit hier, dus het gebied is de facto gemilitariseerd. Het rechtsysteem functioneert niet en land wordt nog steeds ingepikt.” Dit leidt ertoe dat het gebied onder hoogspanning staat. „Bij verhalen over moord of verkrachting worden hele groepen binnen no time gemobiliseerd. Huizen worden in de fik gestoken, mensen moeten vluchten of worden vermoord. En het leger kijkt weg. Of stookt de boel op.”

Bal heeft weinig hoop dat het vredesakkoord uit 1997 ooit nog zal worden uitgevoerd. „Mensen die hier al decennia geleden als kolonisten zijn geplaatst, zullen dan opeens moeten vertrekken. Dat gaat niet gebeuren.” Een nieuw vredesakkoord zit er ook niet in. „Het zit hier al bijna twintig jaar helemaal vast. De minderheden worden steeds verder gemarginaliseerd. Tot er uiteindelijk geen probleem meer zal zijn: de minderheden zullen helemaal verdwijnen.”