Tennisdood ligt altijd op de loer

Na lang blessureleed keert de Spaanse toptennisser begin volgende week terug bij de Australian Open. Haalt hij zijn topniveau nog?

Overklast door Andy Murray bij een demonstratietoernooi in Abu Dhabi: 2-6, 0-6. Uitgeschakeld in de eerste ronde van het ATP-toernooi in Qatar door een Duitse qualifier. Met hoeveel zekerheden begint Rafael Nadal aan de Australian Open, vanaf maandag het eerste grandslamtoernooi van het nieuwe tennisseizoen? Zijn eerste serieuze krachtmeting na een polsblessure en een operatie aan de blindedarm, die hem sinds Wimbledon van de baan hielden. En dan stuit hij in de eerste ronde ook nog op de Rus Michail Joezjni, voormalig toptienspeler, die hem al vier keer eerder wist te verslaan.

„Dit is de derde comeback in mijn carrière na een blessure”, sprak Nadal (28) eerder deze week in Melbourne na een partijtje disco-tennis met alternatieve regels bij de opening van de vernieuwde Margaret Court Arena. Bang voor een afgang toonde de huidige nummer drie van de wereld zich niet. „We zullen wel zien hoe het gaat.”

Nadal is ervaringsdeskundige wat betreft carrièrebedreigende blessures. „Ik ben heel dicht bij de tennisdood geweest”, bekende de Spanjaard al in 2011 in zijn biografie Rafa, mijn verhaal. Het begint met een pijnscheut op 17 oktober 2005, als hij de finale van een toernooi in Madrid na een 2-0 achterstand in sets nog miraculeus wint van de Kroaat Ivan Ljubicic. Het blijkt een mysterieuze blessure aan de linkervoet, een zeldzame erfelijke afwijking aan het ‘scheepvormig been’, net boven de wreef.

Zo’n machtig lichaam, zolang met zoveel energie aan gewerkt. Maar met één zwakke plek, die toptennis nu plotseling onmogelijk maakte. Uitgerekend na het seizoen waarin hij op Roland Garros zijn eerste grandslamtitel had behaald. „De diagnose was zo ontmoedigend dat ik in een diep zwart gat terecht kwam.”

Na talloze frustrerende onderzoeken vindt een Spaanse specialist toch een uitweg, met speciale zooltjes en grotere schoenen vooral. Nadal kan weer tennissen met zijn handicap, maakt in februari 2006 jubelend zijn rentree in Marseille en wint een week later in Dubai de finale tegen Roger Federer.

Maar het vervloekte scheepvormig been zal altijd blijven hinderen en zorgt bovendien voor meer druk op zijn gewrichten. Knieblessures spelen vanaf 2007 steeds heviger op. Logisch gevolg van zijn krachten verslindende speelstijl? In de zomer van 2012 lijkt het einde nabij. De linkerknie begeeft het, al is rechts ook niet alles. Zeven maanden out. En dan?

„Om een aantal redenen is dit het meest emotionele seizoen uit mijn loopbaan”, zegt Nadal snikkend, als hij in 2013 na Roland Garros de US Open wint en opnieuw nummer één van de wereld is. Een weergaloze comeback. Over de pijn die eraan vooraf ging spreekt hij liever niet teveel. Laat staan over gedachten aan stoppen.

„Het zwaarste is de pijn”, vertelde oom Toni Nadal, zijn coach. „Je hebt pijn en je speelt. Maar het probleem is dat je nooit weet of je ooit weer zo hard kunt lopen als voorheen, of dat je nog in staat bent om te spelen tegen de beste spelers. Vanaf dag één is het moeilijk, altijd.”

Elke topsporter heeft pijn, relativeerde Nadal al in zijn biografie. „Het succes van een topsporter hangt af van zijn vermogen om te ‘lijden’, en daar zelfs van te genieten.” Een verkrampte arm (2007), buikspier (2009) of hamstring (2011) gescheurd, rugblessure (finale Australian Open 2014)? Niet zeuren, doorgaan. De geest is sterker dan het lichaam. Maar zie hoe uitgelaten hij vorig jaar reageerde na zijn negende eindzege op Roland Garros, de veertiende grandslamtitel in zijn carrière. In tranen, opnieuw. „Niets is voor altijd”, besefte hij als weinig anderen.