Stel Van Gogh en Charlie niet gelijk aan democratie

Het gaat ver om Van Gogh en Charlie Hebdo gelijk te stellen met ‘democratie’, vindt Ian Buruma. Al-Qaeda vertegenwoordigt tenslotte ook niet de islamitische beschaving.

Theo van Gogh had veel gemeen met Charlie Hebdo. Het Franse blad kenmerkte zich, net als Van Gogh, door een soort moreel anarchisme en een feilloos gevoel voor het schokeffect. Er was geen taboe dat zij niet wilden doorbreken.

Nu is antisemitisme het grootste naoorlogse taboe en dus maakte Van Gogh grollen over de „zoete karamelgeur” boven Auschwitz. Ook moeten we zogenaamd „respect” hebben voor de islam, en dus maakte hij grappen over „geitenneukers”, net als in Charlie Hebdo gebeurde.

Het doel van taboedoorbrekers is te kijken hoe ver ze kunnen gaan als het gaat om de vrijheid van meningsuiting – legaal, maar vooral ook sociaal. Nu hebben de moorden in Parijs geleid tot nogal boude uitlatingen over die vrijheid, met name over hoe deze in Frankrijk wordt gehanteerd. Maar er is natuurlijk in geen enkel land ooit sprake van een absolute vrijheid.

De meeste Europese landen hebben het beledigen van mensen op grond van ras of geloof bij wet verboden. En er gaan niet alleen in Frankrijk stemmen op om die wetten te verscherpen. De Franse actrice Brigitte Bardot werd in 2008 veroordeeld wegens een brief met beledigende opmerkingen over moslims. De makers van Charlie Hebdo hebben herhaaldelijk onder druk gestaan om zich te matigen, niet van moslims, maar van de Franse regering. Het is bovendien in Frankrijk verboden om de Holocaust in twijfel te trekken.

Dat is censuur op een mening, een domme, vileine mening, maar het blijft een mening.

Of het goed is om wetten te hebben die gelovigen of minderheden beschermen tegen belediging, is een omstreden vraag. In de Verenigde Staten is er pas sprake van een overtreding als men kan aantonen dat een uitlating zou leiden tot onmiddellijk gevaar. Er mag meer in de VS, maar in de sociale omgang zijn Amerikanen misschien meer geneigd een blad voor de mond te nemen dan Europeanen.

De vrijheid van meningsuiting is dus relatief. Een politicus of een rechter, om het over een koning of koningin niet eens te hebben, kan zich veel minder veroorloven dan een romanschrijver of een striptekenaar.

Een blanke moet het niet in zijn hoofd halen om dezelfde taal uit te slaan die jonge zwarte Amerikanen onder elkaar plegen te gebruiken. En we zeggen uit consideratie met anderen lang niet alles wat we zouden willen zeggen.

Provocateurs zien het als hun taak om die ongeschreven regels te overtreden. Daar moet plaats voor zijn, in de kunst en in de marges van de journalistiek. Ook taboedoorbrekers behoren te worden beschermd tegen geweld.

Maar het gaat wat ver om Van Gogh of Charlie Hebdo gelijk te stellen met ‘democratie’ of de ‘westerse beschaving’. Al-Qaeda van Jemen vertegenwoordigt tenslotte ook niet de islamitische, laat staan de ‘oosterse beschaving’. En wat is überhaupt de Westerse beschaving? Grieks-Romeins? Christelijk? Joods-christelijk (alsof die altijd zo vredig samengingen, in het Westen)? Maakte het fascisme of het communisme geen deel uit van de westerse beschaving?

Men schermt graag met de Verlichting. Maar welke Verlichting? Die van Voltaire, De Sade of Adam Smith? Dat de Verlichting een seculariserende werking heeft gehad is zeker, maar dat heeft niet altijd geleid tot democratie. De zucht om taboes te doorbreken bestaat bovendien in veel culturen. Doelbewuste provocatie heeft weinig te maken met de manier waarop de democratie werkt.

Democratie is gestoeld op compromissen, op het vreedzaam oplossen van belangenconflicten binnen de perken van de wet. Om de democratie naar behoren te laten functioneren, moeten burgers bereid zijn om te geven en te nemen. In een beschaafde samenleving moeten we leren omgaan met mensen die er andere waarden op na houden.

Dit is niet een kwestie van laffe collaboratie met het kwaad of het opgeven van onze vrijheid. En het toont ook geen gebrek aan principes. Tolerantie hoeft geen teken van zwakte te zijn. Waar we van af moeten, is de neiging om morele waarden altijd in absolute termen te zien en om de samenleving meteen te willen verdelen in goed en fout, een tendens die in Nederland – misschien vanwege een weinig verlicht calvinistisch verleden – tamelijk sterk is.

Zelfs tolerantie is niet absoluut. Het gebruik van geweld om eigen morele waarden of principes door te drukken, is in geen enkele democratie aanvaardbaar, of het nu gaat om politieke of religieuze meningen of een combinatie van beide.

Wat nu precies de psychologische motieven zijn geweest van de moordenaars in Frankrijk is nooit met zekerheid vast te stellen. Misschien waren het ‘radicale losers’, zoals ooit beschreven in een beroemd essay van Hans Magnus Enzensberger; ontspoorde jongeren die hun dromen van meisjes en voetbal hadden ingeruild voor de jihad. Dat lijkt het geval te zijn geweest met veel van die heilige strijders van eigen bodem, onder andere de moordenaar van Van Gogh.

Kwetsbare jonge mensen hebben vaker de neiging een revolutionair doel te dienen in de hoop daarmee een gevoel van macht en saamhorigheid te krijgen. Dat zagen we in de jaren zeventig, met name in Duitsland, Italië, en Japan. Toen werd extreem linkse terreur uitgeoefend in naam van de revolutie.

Inmiddels weten we meer over de politieke motieven van revolutionaire bewegingen die zulke jongeren gebruiken om het vuile werk te doen. Er wordt wel beweerd dat de moorden in Parijs het gevolg waren van islamitische woede over de cartoons. De moordenaars zouden hebben gehandeld uit een diepe geloofsovertuiging.

Dit lijkt mij dubieus. Het is vast waar dat veel moslims zich gekrenkt voelden door de tekeningen in Charlie Hebdo. Maar gekrenkt zijn leidt niet meteen tot moord. En de geloofsovertuiging van veel jonge Europese jihadisten is zelden erg diep. Daarvoor zijn ze te recent bekeerd en te oppervlakkig. Hun geloofsovertuiging heeft meer weg van een fundamentalistische ideologie, veelal afkomstig van Saoedi-Arabische bronnen, verspreid in het Engels op internet.

Intimidatie van potentiële critici is slechts een van de doelen van een revolutionaire beweging. Revolutionairen haten niet zozeer de kritiek van hun radicaalste radicale tegenstanders. Nee, de echte vijand zijn nu juist de compromissen, de aanpassingen, het geven en nemen. Die horen bij een democratie.

Het voornaamste doel is om meer rekruten te werven voor de revolutie. In het geval van islamisten betekent dit dat vreedzame moslims moeten worden gedwongen zich niet meer aan te passen aan de seculiere samenleving waarin zij leven.

De revolutie vereist meer heilige strijders. Daarom is het zaak om een heftige reactie tegen moslims uit te lokken. Dat gebeurt door een symbolisch doelwit te raken: de Twin Towers in New York, Theo van Gogh, Charlie Hebdo. Hoe meer de moslims zich in Europa bedreigd voelen, hoe meer sympathisanten de extremisten voor zich kunnen winnen.

Trekken wij uit de moorden in Frankrijk, of andere terreurdaden, de conclusie in oorlog te zijn met de islam, dan hebben de jihadisten hun doel bereikt. Maar behandelen wij moslims als gelijke burgers, dan zullen de meesten zich duidelijker tegen de terreur opstellen.

En wordt de democratie alleen maar sterker.