Paul & Witteman

Acht jaar lang was Paul Witteman (68) de helft van een duo. Vanaf morgen presenteert de televisiejournalist een nieuw programma over muziek. In zijn eentje.

Ineens was hij saai. De man die PvdA-leider Ad Melkert vroeg waarom hij Pim Fortuyn niet aankeek tijdens het verkiezingsdebat in 2002 – en zo bijdroeg aan een voortijdig einde van diens carrière. Saai, de man die destijds prins Willem-Alexander de uitspraak ontlokte dat het onderzoeksrapport naar zijn schoonvader Zorreguieta „ook maar een mening” was. De man die weliswaar met een valse start begon in 1980 ¬– toen hij met trillende hand zijn eerste televisie-interview afnam – maar die sinds hij in 1987 bij de actualiteitenrubriek Achter het Nieuws begon zo’n beetje iedereen die ertoe deed, en doet, heeft gesproken. De man die, dit jaar niet meegerekend, al achtentwintig jaar een constante factor op televisie is.

Saai.

Afgelopen april kondigde Paul Witteman (68) aan te stoppen met de dagelijkse VARA-talkshow Pauw & Witteman die hij acht jaar samen met Jeroen Pauw presenteerde. Witteman staat bekend om zijn onderkoelde en tegelijk hoffelijke interviewtechniek. Hij is afstandelijk, maar een goede verstaander hoort zijn humor. En in zijn veelal korte vragen hanteert hij het understatement als zwaard. Hij zoekt niet naar het sentiment, maar naar de verhalen, de inhoud.

Rond de tijd dat Pauw begon, werd deze opvolger zonder Witteman ‘vrolijker’, ‘minder saai’, ‘optimistischer’ en ‘warmer’ genoemd, ook door Jeroen Pauw zelf. Waarmee met terugwerkende kracht de suggestie werd gewekt dat de andere helft van de voormalige twee-eenheid een ballast zou zijn geweest.

Als we het erover hebben aan de eettafel in zijn herenhuis in Haarlem is hij nog steeds wat geïrriteerd. „Ere wie ere toekomt, maar het was vooral deze krant die een groot stuk schreef over dat Pauw beter af is zonder sombermans Witteman. Nou, dat zette de toon.”

Naast de kranten op tafel ligt een opengeslagen artikel over het nieuwe Picasso Museum in Parijs. Afgelopen Kerst was hij nog in die stad, zijn favoriete stad. Elke maand probeert hij er een paar dagen naartoe te gaan. De aanslagen op Charlie Hebdo en een kosjere supermarkt hebben dat niet veranderd; volgende week gaat hij weer.

Deze zondag begint zijn nieuwe programma, Podium Witteman. Tijd om even terug te kijken op acht jaar Pauw & Witteman.

Had u uw afscheid achteraf liever anders aangepakt?

„Ik weet het niet. Voorzover ik de beeldvorming zelf heb uitgelokt, is het omdat ik heb gezegd dat ik vermoeid was geworden door acht jaar om half twee ’s nachts naar bed gaan. Om een of andere reden vinden mensen dat je dit werk tot je dood kan doen, en denken ze dat je conditie dan hetzelfde blijft, wat natuurlijk niet zo is.”

Had het uw vertrek iets met uw gezondheid te maken?

„Nee. Nou, misschien in die zin dat ik wilde voorkomen dat het ten koste van mijn gezondheid zou gaan. Denk ik.”

Wat bedoelt u dan?

„Slapeloosheid. Slecht humeur. Het is een bepaald soort leven…” Hij aarzelt even. „Het is moeilijk uit te leggen. Het is een leuk leven, met leuke collega’s die hard voor je werken en een zeer leuke co-presentator die bovendien vijftien jaar jonger is en dus veel energie meebrengt. En toch denk je op een gegeven moment, nu wil ik iets anders.

„Het heeft er ook mee te maken dat het acht jaar lang elke dag hetzelfde was. Hetzelfde leven. Ik bedoel, als je acht jaar samenwerkt, weet je wat je samen wel en niet kan. En je weet wat je nodig hebt voor een dagelijks programma, namelijk de gasten die die dag in het nieuws zijn. Maar omdat ik al een tijdje in de nieuws-

journalistiek zit, betekent dat voor mij wel dat ik in herhaling val. Mensen die steeds terugkomen en, erger nog, kwesties die steeds maar weer terugkomen.”

 

Wat vindt u van ‘Pauw’?

„Goed.” Hij zegt het stellig. Die vraag had hij duidelijk verwacht.

„Steeds beter”, zegt hij dan.

U kijkt dus wel.

„Ik kijk voor een deel. Ik ben geïnteresseerd in de gast met wie hij begint, omdat dat meestal iemand uit de politiek of het dagelijkse nieuws is. Jeroen doet het met verve en flair. Ik vind hem nu eenmaal – is dat nu waar? – ja, ik denk wel dat ik hem de beste interviewer van Nederland vind. Het is niet zo dat ik ’s avonds in bed lig en dan denk, oeh was ik er maar bij. Helemaal niet.”

Geen gekromde tenen?

„In het begin wel natuurlijk. Maar goed, dat had Jeroen vooral zelf ook. Mensen waren jarenlang gewend ons samen te zien. En nu zien ze bijna hetzelfde, alleen is die kop van mij er niet meer bij. Dat is even wennen. Ook voor mij.”

Is het interviewen op televisie veranderd in de afgelopen dertig jaar?

„Ja, het is constant in beweging. Ik denk nu dat de fatsoenlijke omgangsvormen terugkeren. Bijna niemand vond het erg dat PowNews stopte, zeker niet nadat het zo smakeloos Onno Hoes met een verborgen camera had gefilmd. Een paar jaar terug was er nog behoefte aan scoren, of in ieder geval aan het etaleren van een vermeend kritisch vermogen. Maar ik merk nu een soort vermoeidheid voor vraaggesprekken die per definitie wantrouwen en narigheid veronderstellen. Matthijs [van Nieuwkerk] is een geweldig goed voorbeeld van het tegendeel. Bij De Wereld Draait Door maakt hij telkens een diepe buiging. Het is chapeau voor iedereen.”

Dat scoren, heeft u dat nooit gedaan?

„Zeker. Toen ik net bij Achter het Nieuws begon. En daarvoor bij de radio, bij In de Rooie Haan. Ik wilde kritischer zijn en trad iedereen met wantrouwen tegemoet. Zeker politici. Toen heb ik wel eens tegen Hans Wiegel gezegd: is dat niet allemaal rechtse prietpraat wat u daar verkondigt? Wiegel zei: Jongeman Witteman, dit lijkt me niet de juiste toon die u hanteert. Iedereen vond dat leuk, inclusief Wiegel. Daar zou ik nu toch nog wel even over nadenken.”

Een keer in de drie weken presenteert u ‘Buitenhof’ en morgen begint uw nieuwe muziekprogramma ‘Podium Witteman’. Welke sfeer wilt u neerzetten?

„Ik verschaf musici een podium om op televisie muziek te maken en daarover te vertellen. Dat is de basisgedachte. Dat is ook de gedachte van de NPO: ze willen een muziekprogramma en ze willen mij. Voor de rest zijn de redactie en ik vrij om het programma in te vullen. We zouden zomaar tien minuten Bach kunnen laten horen... Ik interview een gast, Mike Boddé is onze vaste medewerker, we hebben een quiz en een historische rubriek die we samen met Andere Tijden maken.”

Uw contract bij de VARA loopt nog anderhalf jaar. Is dit het programma waarmee u uw carrière eindigt?

„Het eerlijke antwoord – ik lijk Diederik Samsom wel – is dat ik hoop dat het zo’n succes wordt dat de leiding van de televisie wil dat we er nog jaren mee doorgaan. Ik hoop het. Als dat niet lukt, dan nog vind ik eindigen met een muziekprogramma meer bij mij passen dan eindigen met P&W.”

Waarom?

„Omdat dubbelpresentatie van een talkshow veel vereist, wat mij aanspreekt, maar ook maakt dat je kansen onbenut moet laten. Soms moet de ander ook pieken op het moment dat jij dat evengoed zou willen. Ik ben er niet gefrustreerd over, maar een eigen programma past me goed, nu.”

Witteman komt van goeden huize. Zijn vader was KVP-politicus, zijn moeder een telg uit de muzikale familie Andriessen. Hij herinnert zich hoe hij onder de piano de Donald Duck las terwijl zijn moeder speelde. Maar hij houdt niet van gepsychologiseer. De suggestie dat zijn interesse in politiek te maken zou kunnen hebben met zijn vader, wijst hij van de hand. „Psychologie van de koude grond, kouder kun je het niet krijgen.” Net zoals dat zijn belangstelling voor muziek zou voortkomen uit de genen van moeders kant. „Ik geloof niet zo in de erfelijkheid van bepaalde eigenschappen. Als ik muzikaal ben, is dat omdat ik vanaf mijn jonge jaren weinig anders dan muziek heb gehoord. En mijn vader heb ik bijna nooit gezien, hij was altijd aan het werk. Bovendien was ik niet zo dol op hem, ik vermeed hem. Ik heb hem meegemaakt tot zijn dood, toen was ik 25 of zo. Maar als ik zeg dat ik in al die jaren twee dagen, dus dan hebben we het over 48 uur, met hem heb gesproken, dan denk ik dat ik overdrijf.”

Welke spaarzame momenten zag u hem dan?

„Bij het avondeten, doordeweeks. Dat waren de moeilijkste uren van de dag, omdat er aan tafel niet veel gezegd werd. We luisterden naar de radionieuwsdienst. Ik was alleen met mijn ouders, mijn oudere broers waren al het huis uit. Mijn vader bemoeide zich gewoon niet met mij. Hij vond ook niet dat ik zijn respect verdiende. Gefaald op het conservatorium [piano], studie niet afgemaakt [politicologie]. Hij keek dan een beetje deemoedig, in de hoop dat mijn moeder er iets over zou zeggen, maar die deed dat niet. Zij was daar te lief en te onzeker voor. Die vrouw was al blij dat ik de hbs had afgemaakt.”

En in het weekend?

„Dan kwamen mijn broers vaak thuis met hun aanhang. Het waren allemaal haantjes, de Wittemannen, dus er werden felle discussies gevoerd. Zo stil als het doordeweeks was, zo druk kon het in het weekend zijn. Voor de debatten die ik later leidde heb ik toen veel geleerd. Niet dat ik discussie thuis leidde, allesbehalve, maar ik zag hoe een gesprek gestuurd kon worden. Ik heb geleerd wat je moet doen om niet het onderspit te delven.”

U bent vanaf februari ook op televisie te zien met het wetenschapsprogramma ‘Witteman Ontdekt: Sleutelen aan de mens’. Over medische technieken en apparaten die er zijn om de mens gezonder te maken of langer te laten leven. Vanwaar die fascinatie met wetenschap?

 

„Omdat ik het niet begrijp. Ik probeer op televisie altijd kennis over te brengen op een breed publiek, die zonder uitleg niet toegankelijk is. En zodra het te maken heeft met menselijke dilemma’s word ik onrustig van belangstelling.”

Leven en dood…

„Ja, leven en dood. Ziek en niet ziek. Gek en niet gek. Begaafd en minder begaafd. Dat boeit mij.”

In eerdere interviews spreekt u ook vaak over uw angst voor de dood. Waarom?

„Dat komt ook, als ik zo vrij mag zijn, omdat interviewers graag het diepe drama zien bij iemand van wie je dat niet zo snel verwacht. Ik weet nog dat ik lang geleden werd geïnterviewd en dat de journalist bij binnenkomst zei: erg hè, van die twee broers van jou. Die waren net overleden. Het was ook heel erg, maar waarom moest hij daar mee beginnen? Ik was van slag.

„Maar goed, over de dood. Ik heb wel heel lang een hypochondrische aanleg gehad. Ik had vliegangst en ik was bang voor gemene ziektes. Toen kreeg ik het een keer. [In 2010, prostaatkanker.] Gek genoeg is het daarna overgegaan.”

Terwijl uw angst juist werkelijkheid werd…

„Ja. Ik ben geopereerd en genezen verklaard. Sindsdien heb ik het gevoel dat ik mijn beurt gehad heb. Het slaat natuurlijk nergens op. En misschien helpt het verdiepen in de wetenschap me ook. Ik weet hoe ver ze zijn met behandelen. Vroeger was ik al bang voor de narcose, nu weet ik beter hoe secuur en vrijwel risicoloos ze dat kunnen regelen.”

In een oude documentaire vertelt uw dochter ook over uw preoccupatie met de dood en ziekte.

„De angst voor de dood, in de zin dat alles wat je hebt opgebouwd in één keer weg is, heb ik nog steeds. De dood vind ik een weerzinwekkende gedachte. We zijn er zo aan gewend, aan het feit dat je doodgaat, dat mensen denken: je kunt maar beter met die gedachte leven. Dat vind ik zo’n onzin. Ik denk dat de meeste mensen, als ze echt de waarheid zouden spreken, liever nooit dood zouden gaan.”

U ook?

„En ik zeker.”

Zou u niet nog een interviewprogramma willen maken?

„Die zijn er al zo ontzettend veel. Ik zie zoveel dat ik al eerder heb gezien. En welke gasten zou je dan willen hebben? Iedereen zit nu overal al.”

Maar ja, niet met u als interviewer.

Hij aarzelt even. „Misschien komt het. Ik ben erover in gesprek, over een goed interviewprogramma. En dat zal er ook wel komen. Misschien niet dit seizoen, maar dan toch het volgende. Het probleem is niet om een format te vinden, maar om gasten te vinden die je nog niet overal hebt gehoord. Ik zal niet zeggen: alles is al gedaan. Maar het is niet makkelijk.”